overzicht jurisprudentie precariobelasting | Ostraka belastingadviseurs BV
PRECARIOBELASTING JURISPRUDENTIEOVERZICHT

2

feb

Hieronder is een overzicht opgenomenVan de precariobelastingjurisprudentie van de Hoge Raad en gerechtshoven uit de jaren 2013 tot en met 2018 en van de rechtbanken uit de jaren 2014 tot en met 2018.
N.B. deze pagina zal regelmatig worden aangevuld.

Per onderwerp is de jurisprudentie chronologisch gerangschikt van nieuw naar oud.

Elders op onze website is een algemene bespreking opgenomen van de precariobelasting van ondernemers en de precariobelasting van particulieren.

Inhoudsopgave jurisprudentie precariobelasting

GEMEENTEGROND

Precariobelasting 2015 gemeente Leeuwarden

4.11 (…) Anders dan de heffingsambtenaar meent, is in geval van de vestiging van een opstalrecht niet de blote eigenaar, maar de opstalhouder degene die op grond van zijn recht tot de grond het gebruik door een derde kan gedogen. De vestiging van een opstalrecht ten behoeve van de gemeente, of het voorbehoud daarvan bij verkoop van de grond, staat derhalve aan de heffing van precariobelasting niet in de weg; de grond dient alsdan immers te worden aangemerkt als gemeentegrond in de zin van de Verordening. (…)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2017, nr. 16/00469

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

3.3.4. De heffingsambtenaar heeft zich verweerd met het betoog dat het redelijkerwijs niet mogelijk was voorafgaand aan de zitting de feiten die ten grondslag liggen aan de hiervoor bedoelde stellingname van belanghebbende te onderzoeken en een reactie daarop te formuleren. Bij de beoordeling van dit verweer is van belang dat belanghebbende zijn stellingname baseerde op een tekening bij de koopovereenkomst krachtens welke de hiervoor in 3.1.7 bedoelde verkrijging door het hoogheemraadschap heeft plaatsgevonden. Gelet op het verloop van het partijdebat omtrent de eigendom van de grond onder de dammen laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat die koopovereenkomst en de daarbij behorende tekeningen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben. In een geval als het onderhavige, waarin een bestuursorgaan beschikt over een stuk dat op de zaak betrekking heeft, en nalaat dit stuk zelf in het geding te brengen, kan het bestuursorgaan een verweer als hiervoor bedoeld niet met succes aanvoeren als de wederpartij dat stuk alsnog in het geding brengt.
3.3.5. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat verwijzing moet volgen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voorafgaand aan de onder 3.1.7 bedoelde transactie tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het eerste middel behoeft in zoverre geen behandeling. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag kan geen precariobelasting worden geheven.
3.4. Voor zover het eerste middel betoogt dat belanghebbende de grond onder de dammen door verjaring heeft verkregen, faalt het. Niet is in geschil dat de dammen in het verleden zijn aangelegd met toestemming van de toenmalige eigenaar van de daaronder gelegen grond. De gedingstukken bevatten geen aanwijzing dat die toestemming gepaard is gegaan met bezitsverschaffing. Zij bevatten ook anderszins geen aanknopingspunt om te oordelen dat belanghebbende het bezit van de grond onder de dammen heeft verkregen. Verder blijkt uit de gedingstukken niet dat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit is af te leiden dat hij zich heeft gedragen als bezitter van de grond onder de dammen. De heffingsambtenaar heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat belanghebbende in het verleden geen onderhoud heeft gepleegd aan de duikers en de watergang waarin de dammen zijn gelegen. Dit heeft belanghebbende niet gemotiveerd weersproken. Aldus laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat geen grond bestaat voor het oordeel dat belanghebbende zich heeft gedragen als bezitter van de grond onder de dammen. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende de grond onder de dammen door verjaring heeft verkregen.
3.5.1. Het tweede middel betoogt tevergeefs dat belanghebbende eigenaar van de grond onder de dammen is geworden door een opstalrecht op de dammen. Gelet op artikel 5:20 BW en artikel 5:101 BW kan een opstalrecht op de dammen de eigendom van de daaronder gelegen grond niet natrekken.
3.5.2. Het tweede middel faalt ook voor zover daarin wordt betoogd dat belanghebbende door verjaring een erfdienstbaarheid op de grond onder de dammen heeft verkregen. De gedingstukken bevatten geen aanwijzing dat aan belanghebbende het bezit daarvan is verschaft. Reeds daarom kan geen sprake zijn van verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid.
Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/00711

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

8.1.3. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het niet in de beoordeling betrekken van de stelling van belanghebbende dat hij eigenaar is van ondergrond van de dammen, is het Hof op grond van het vaststaande onder 4.4 van oordeel dat de grens tussen het perceel van belanghebbende en dat van het schap door de watergang loopt en wel zodanig dat de dammen zich deels boven grond bevinden die door het schap in eigendom werd verkregen van de gemeente.
8.1.4. Ten aanzien van de eigendom van de dammen is het Hof van oordeel dat die berust bij belanghebbende als gevolg van zogenoemde horizontale natrekking. De dammen vormen één geheel met het perceel in eigendom van belanghebbende, en het daarop gebouwde, hetwelk kan worden aangemerkt als het kernperceel ten opzichte van het perceel in eigendom van het schap. In voormeld oordeel ligt besloten dat de eigendom van de bodem waarop de dammen rusten deels eigendom van het schap is krachtens koop van de gemeente en de daaruit voortvloeiende levering vermeld hiervoor onder 4.4. Gegeven de horizontale natrekking komt niet aan de orde de stelling van belanghebbende dat hij door het hebben van de dammen op de grond van het schap de eigendom van de ondergrond van die dammen door verjaring heeft verkregen.
Gerechtshof 's-Gravenhage 30-12-2011, nr. 10/00710

ONDER, OP OF BOVEN GEMEENTEGROND

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

5.3. Uit de tot de gedingstukken behorende tekening, gevoegd bij de koopakte van 1986, blijkt dat de percelen van belanghebbende niet aan de[A-weg 1] grenzen. De ruimte op deze tekening tussen de percelen van belanghebbende en de[A-weg 1] wordt ingenomen door water en vanaf de grens van de percelen kan dit water worden overgestoken door gebruik te maken van de twee dammen. Het Hof leidt uit deze tekening af dat belanghebbende in 1986 wel een deel van de grond onder de dammen heeft verworven, zoals het gearceerde deel van de gekochte percelen laat zien, maar niet de volledige ondergrond.
5.4. Belanghebbende stelt dat van oudsher de grond onder de dammen eigendom was van zijn familie. Bij de onteigening van percelen grond met dammen in 1969 en de daarop gevolgde aankoop door belanghebbende in 1986, is niet beoogd om hierin een wijziging aan te brengen. Het Hof is van oordeel dat deze stelling niet slaagt. Uit de tot de gedingstukken behorende tekening van het kadaster, no. 137, gemeten op 10 april 1919 is voor perceel H930, dat sterke gelijkenis vertoont met het huidige perceel 6427, eveneens te zien dat er ruimte is tussen de ‘s-Gravenweg en de grens van het perceel waarvan de familie van belanghebbende destijds eigenaar was. Ook hierin ziet het Hof geen aanwijzing om te oordelen dat de grond onder de dammen sinds 1986 geheel aan belanghebbende toebehoort.
5.5. Belanghebbende stelt voorts dat, zo het Hoogheemraadschap de eigendom van het water langs de[A-weg 1] ‘midden-sloot’ heeft verkregen, rekening moet worden gehouden met de verbreding van de weg. Volgens belanghebbende zijn door deze verbreding de weg en de berm verder in het water komen te liggen. Belanghebbende onderbouwt deze stelling aan de hand van recente foto’s van de[A-weg 1] en historische foto’s waarop is te zien dat deze weg aan het begin van de vorige eeuw smaller was en de strook water naast de weg breder. In de brief van 11 november 2011 heeft belanghebbende gesteld dat de totale breedte van de weg inclusief de bermen aan weerszijden op schaal 4 millimeter is en dat dit in werkelijkheid correspondeert met 8 meter. Belanghebbende heeft zich hierbij gebaseerd op een tekening welke als bijlage bij de brief van 11 november 2001 is overgelegd. Belanghebbende heeft tevens voor zijn huis gemeten dat de breedte van de weg circa 5 meter is en de bermen aan weerszijden circa 3 meter, in totaal eveneens 8 meter. Belanghebbende verbindt aan zijn berekening de gevolgtrekking dat het Hoogheemraadschap ter hoogte van zijn percelen geen water maar stroken berm heeft gekocht.
5.6. Het Hoogheemraadschap betwist dat zij in 2003 stroken berm heeft gekocht. Zij heeft hiervoor aangevoerd dat de meting van belanghebbende op onjuiste gegevens is gebaseerd omdat hiervoor een andere kaart is gebruikt dan die behoort bij de leveringsakte en deze kaart is verkleind waardoor de schaal niet meer juist is weergegeven.
5.7. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat het Hoogheemraadschap in 2003 een perceel water heeft gekocht waarvan een deel grenst aan de percelen van belanghebbende. Het Hof leidt dit af uit het tot de gedingstukken behorende kadastraal bericht waarop bij de omschrijving van het perceel A 6957 onder meer is vermeld: ‘water’ en op het hierbij gevoegde ‘Uittreksel Kadastrale Kaart’, waarop duidelijk is te zien dat zich tussen de grens van de[A-weg 1] en de percelen van belanghebbende het perceel met nummer 6957 bevindt. De door belanghebbende gemaakte berekening acht het Hof onvoldoende om het tegendeel te bewijzen. De heffingsambtenaar heeft de berekening gemotiveerd betwist onder aanvoering dat deze niet nauwkeurig is en afwijkt van de werkelijkheid. Verder kan uit de door belanghebbende ingebrachte foto’s weliswaar worden afgeleid dat de ‘s-Gravenweg in de loop van de tijd is verbreed, maar het Hof oordeelt dat hieruit niet zonder meer volgt dat de gehele strook ‘midden-sloot’ tot de grens van de percelen van belanghebbende inmiddels is gedempt. Zo al een deel van het water zou zijn benut voor verbreding van de weg, kan hieraan niet de conclusie worden verbonden dat het Hoogheemraadschap geen eigenaar meer is van het in 2003 gekochte perceel water tussen de[A-weg 1] en de percelen van belanghebbende.
5.8. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende in 1986 eigenaar is geworden van de grond onder de dammen voor zover het gaat om het deel dat in 2003 eigendom is geworden van het Hoogheemraadschap (perceel A 6957). Dit brengt mee dat de aanslag precariobelasting terecht is opgelegd omdat de dammen van belanghebbende zich voor tenminste een deel bevinden op de grond van het Hoogheemraadschap.
Gerechtshof Amsterdam 31-10-2013, nr. 13/00031. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 03-10-2014, nr. 13/06239.

Precariobelasting 2010 gemeente Zaanstad

De vaste ligplaats van het schip aan de […] bevindt zich niet boven gemeentegrond zodat van belanghebbende geen precariobelasting kan worden geheven.
Gerechtshof Amsterdam 07-03-2013, nr. 11-00761

VOOR DE OPENBARE DIENST BESTEMDE GEMEENTEGROND

Precariobelasting 2013 en 2015 gemeente Diemen

9.1 Tijdens de zitting is met partijen vastgesteld waar de kadastrale grens loopt. Tevens is toen vastgesteld dat de gronden waarover precariobelasting is geheven binnen de gemeente Diemen liggen en dat deze ook eigenaar is van deze grond.
9.2 De gemeente Amsterdam betoogt dat zij het bewuste gebied al jaren in beheer en onderhoud heeft. De gemeente Amsterdam verkeert in de veronderstelling dat het beheer en het onderhoud is gebaseerd op een beheersovereenkomst tussen haar en de gemeente Diemen , die gesloten zou zijn ten tijde van de aanleg van de [straat 1] . Deze beheersovereenkomst staat in de weg aan het heffen van de aanslagen. Verder betoogt de gemeente Amsterdam dat niet aannemelijk is dat de grond wordt gebruikt ten bate van de publieke dienst van de gemeente Diemen.
9.3 Dit betoog slaagt niet. Het feit dat de gemeente Amsterdam al jarenlang het stuk grond beheert, neemt namelijk niet weg dat de gemeente Diemen eigenaar is van de grond. Verder is van een beheersovereenkomst tussen de gemeente Amsterdam en de heffingsambtenaar, zowel in de gedingstukken als tijdens de zitting, niet gebleken.
9.4 De stelling van de gemeente Amsterdam dat het gebied niet is “bestemd voor de openbare dienst” omdat zij de beheerstaken uitvoert en de gronden beheert, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst in dat verband naar vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (nr. 08/00173, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411, r.o. 5.1.2). Hieruit blijkt dat gemeentegrond voor de openbare dienst bestemd is indien deze feitelijk strekt tot algemeen nut en een ieder in beginsel bij die grond belang kan hebben, in die zin dat het gebruik ervan voor een ieder openstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de grond waarop de aanslagen betrekking hebben nog steeds voor de openbare dienst bestemd. De grond is immers voor een ieder toegankelijk en kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de hond uit te laten. Dat de gemeente Amsterdam het beheer uitvoert, betekent dan ook niet dat geen sprake is van algemeen nut. Het enkele feit dat de grond was omheind met een hekwerk, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat geen sprake was van voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De rechtbank verwijst in dat verband eveneens naar vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (nr. 08/00173, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411, r.o. 5.1.3). Dat de grond alleen toegankelijk is vanaf de wegen van gemeente Amsterdam, namelijk de [straat 2] , is dan ook niet relevant. Het gaat er namelijk om of de grond feitelijk voor iedereen toegankelijk is. En dat is het geval.
Rechtbank Amsterdam 15-08-2017, nr. 16/2794

Precariobelasting 2011 gemeente Beverwijk

4.5.1. Belanghebbende betwist niet dat zij voorwerpen aanwezig heeft gehad op het bouwterrein, maar betoogt dat de aanslag niettemin rechtsgrond ontbeert, omdat het bouwterrein volgens haar niet is aan te merken als ‘voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’ in de zin van artikel 2 van de Verordening. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het terrein gedurende de gehele periode van het gebruik door belanghebbende is onttrokken aan de openbare dienst en feitelijk bestemd was voor gebruik ten behoeve van de bouw, waartoe de gemeente ook een vergunning had verleend.
4.5.2. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat het bouwterrein na de bouw weer als openbare weg en openbaar groen in gebruik is genomen, dat het geen (planologische) bestemmingswijziging heeft ondergaan, en dat de opvatting van belanghebbende tot het onhoudbare gevolg leidt dat nimmer precariobelasting ter zake van (vergund) gebruik van een tijdelijk afgesloten openbaar terrein zou kunnen worden geheven.
4.5.3. In zijn brief aan partijen van 8 april 2014 heeft het Hof het volgende voorlopige oordeel gegeven:
Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het bouwterrein niet kan worden aangemerkt als voor de openbare dienst bestemde grond. Na het tijdelijke gebruik als bouwterrein door belanghebbende zal de grond weer opnieuw bestemd zijn voor de openbare dienst en uit jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 12 augustus 2011, nr. 10/01247, LJN: BP1510) en van dit Hof (uitspraak van 25 februari 2010, nr. 08/00173, LJN: BL7411) volgt dat het tijdelijk niet-openbaar toegankelijk zijn van het bouwterrein niet verhindert dat dit terrein ook tijdens het gebruik door belanghebbende wordt aangemerkt als ‘voor de openbare dienst bestemde grond’. Het Hof blijft bij dit oordeel.
Gerechtshof Amsterdam 15-05-2014, nr. 12/00502

Precariobelasting 2010 gemeente Amsterdam

5.3. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is precariobelasting ter zake van de woonboot van belanghebbende te heffen, omdat de grond waarboven zijn woonboot en de steiger zich bevinden niet “voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond” is. Naar het oordeel van het Hof is de gemeentegrond waarboven de woonboot is afgemeerd (de (water)bodem aan de [A-straat]; een openbaar water dat bij de gemeente in beheer is) voor de openbare dienst bestemd, omdat uit de stukken afgeleid kan worden dat de grond tot algemeen nut strekt waarbij iedereen belang kan hebben. Daaraan doet niet af dat de woonboot en de steiger bij belanghebbende persoonlijk in gebruik zijn.
Gerechtshof Amsterdam 24-04-2014, nr. 12/00457. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard onder toepassing van art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 07-11-2014, nr. 14/03076.

Precariobelasting 2007-2009 gemeente Amsterdam

2.9. Vervolgens is aan de orde het betoog van [A] c.s. dat er tussen partijen van rechtswege een huurovereenkomst is ontstaan. Zij voeren hiertoe het volgende aan.
2.10. Ingevolge artikel IX van de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregeling, gepubliceerd in het Staatsblad 1998, 459 (hierna: de Wijzigingswet) is de Woonwagenwet per 1 maart 1999 ingetrokken. De gemeente had op grond van de Verordening precariobelasting, gebruiks- en genotsretributies 1998 (hierna: de verordening) precario kunnen heffen, als de Gemeente van oordeel was dat er met betrekking tot het perceel geen huurovereenkomst was aangegaan. Die precario heeft de Gemeente echter niet geheven. De verordening is gebaseerd op artikel 9 van de Woonwagenwet, dus niet op de autonome verordenende bevoegdheid van artikel 149 Gemeentewet. Uit artikel IX lid 3 van het overgangsrecht van de Wijzigingswet volgt dat een verordening die is vastgesteld op grond van artikel 9 van de Woonwagenwet, zeven maanden na inwerkingtreding van de Wijzigingswet haar rechtskracht verliest. Dat betekent dat, aldus [A] c.s., de verordening is vervallen per 1 september 1999. Nu de Gemeente vanaf 1 september 1999 geen precario meer kon heffen, is er ingevolge het overgangsrecht een huurovereenkomst ontstaan. Artikel IX lid 4 van het overgangsrecht bepaalt immers onder meer: “De rechtsbetrekking tussen de gemeente en de persoon die tot het tijdstip waarop de rechtskracht van de verordeningen ingevolge het derde lid vervalt, retributie verschuldigd is voor een standplaats, wordt, indien de in dit lid omschreven procedure is gevolgd, op dat tijdstip van rechtswege omgezet in een overeenkomst van huur en verhuur van woonruimte, als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek”. Tot zover [A] c.s.
2.11. De rechtbank is met de Gemeente van oordeel dat dit betoog van [A] c.s. reeds hierop afstuit dat het perceel, zoals eerder overwogen, geen standplaats voor een woonwagen is, zodat daarop de Wijzigingswet niet van toepassing is. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd, in de toelichting op artikel IX lid 4 van de Wijzigingswet is vermeld dat als het niet lukt om via de in het lid omschreven procedure voor een standplaats tijdig een huurovereenkomst af te sluiten, de betrokkene zonder recht of titel een standplaats inneemt, tenzij er alsnog een nieuwe retributieverordening is gaan gelden. Hieruit volgt tenminste dat het overgangsrecht voor de totstandkoming van de huurovereenkomst wilsovereenstemming tussen partijen nodig acht. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat die wilsovereenstemming tussen partijen is bereikt. Van het van rechtswege ontstaan van een huurovereenkomst met betrekking tot het perceel is dan ook, anders dan [A] c.s. betogen, geen sprake.
2.12. Uit het voorgaande volgt dat naar voorlopig oordeel onderwerp van het geschil een overeenkomst van bruikleen van een perceel grond is, zodat onderhavige zaak door de rechtbank, Team handel, dient te worden behandeld en beslist. Dit leidt de rechtbank tot de slotsom dat de vordering in het incident dient te worden afgewezen.
Gerechtshof Amsterdam 14-06-2012, nrs. 11-00198 en 11-00199. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard, Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/03632.

BELASTBAAR FEIT

Precariobelasting 2010 stadsdeel Amsterdam-Centrum

5.5. Het treffen van verkeersmaatregelen zoals de onderhavige TVM en de plaatsing van de E7-borden hebben tot gevolg gehad dat het op de locatie tijdelijk verboden werd te parkeren.
5.6. Uit de toelichting volgt dat de stadsdeelraad zich - conform een uitspraak van de rechtbank Haarlem - thans op het standpunt stelt dat plekken waarop volgens wettelijk voorschrift niet geparkeerd mocht worden niet als parkeerplaatsen in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening 2006 konden worden aangemerkt. Alsdan was derhalve evenmin sprake van een parkeerapparatuurplaats in de zin van de Verordening 2006 zodat geen precariobelasting naar het tarief bedoeld onder 9.1. van de tabel kon worden geheven. Uit de toelichting volgt tevens dat – in de visie van de stadsdeelraad - de vervanging van de Verordening 2006 door de Verordening 2013 noodzakelijk was om het alsnog mogelijk te maken precariobelasting te heffen naar laatstbedoeld tarief voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven parkeerplekken waarop niet mocht of kon worden geparkeerd (zoals die op de locatie).
5.7. Het Hof deelt de in de toelichting neergelegde visie van de stadsdeelraad. De locatie is derhalve na het treffen van de TVM en de plaatsing van de E7-borden niet (meer) aan te merken als een parkeerplaats in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening 2006 zodat op basis van de Verordening 2006 geen precario naar het tarief als bedoeld onder 9.1 van de tabel mocht worden geheven.
De omstandigheid dat de E7-borden op enig moment van buiten de omheining niet meer zichtbaar waren maakt de locatie niet alsnog tot een parkeerplaats in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening. Daarbij merkt het Hof nog op dat tot de voorwaarden waaronder de tijdelijke objectvergunning is verleend behoort dat “het niet is toegestaan (…) om voertuigen achter de schutting of bouwhekken te plaatsen anders dan voor het laden en lossen van materiaal”.
5.8. Uit het vorenstaande volgt dat ten onrechte is geheven naar het tarief voor het “tijdelijk gebruik van parkeerapparatuurplaatsen”. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende.
Gerechtshof Amsterdam 30-01-2014, nr. 12/00417

Gemeente Den Haag

5.5. Het treffen van verkeersmaatregelen zoals de onderhavige TVM en de plaatsing van de E7-borden hebben tot gevolg gehad dat het op de locatie tijdelijk verboden werd te parkeren.
5.6. Uit de toelichting volgt dat de stadsdeelraad zich - conform een uitspraak van de rechtbank Haarlem - thans op het standpunt stelt dat plekken waarop volgens wettelijk voorschrift niet geparkeerd mocht worden niet als parkeerplaatsen in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening 2006 konden worden aangemerkt. Alsdan was derhalve evenmin sprake van een parkeerapparatuurplaats in de zin van de Verordening 2006 zodat geen precariobelasting naar het tarief bedoeld onder 9.1. van de tabel kon worden geheven. Uit de toelichting volgt tevens dat – in de visie van de stadsdeelraad - de vervanging van de Verordening 2006 door de Verordening 2013 noodzakelijk was om het alsnog mogelijk te maken precariobelasting te heffen naar laatstbedoeld tarief voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven parkeerplekken waarop niet mocht of kon worden geparkeerd (zoals die op de locatie).
5.7. Het Hof deelt de in de toelichting neergelegde visie van de stadsdeelraad. De locatie is derhalve na het treffen van de TVM en de plaatsing van de E7-borden niet (meer) aan te merken als een parkeerplaats in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening 2006 zodat op basis van de Verordening 2006 geen precario naar het tarief als bedoeld onder 9.1 van de tabel mocht worden geheven.
De omstandigheid dat de E7-borden op enig moment van buiten de omheining niet meer zichtbaar waren maakt de locatie niet alsnog tot een parkeerplaats in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Verordening. Daarbij merkt het Hof nog op dat tot de voorwaarden waaronder de tijdelijke objectvergunning is verleend behoort dat “het niet is toegestaan (…) om voertuigen achter de schutting of bouwhekken te plaatsen anders dan voor het laden en lossen van materiaal”.
5.8. Uit het vorenstaande volgt dat ten onrechte is geheven naar het tarief voor het “tijdelijk gebruik van parkeerapparatuurplaatsen”. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende.
Gerechtshof Amsterdam 30-01-2014, nr. 12/00417

HEFFINGSMAATSTAF

Precariobelasting 2013 en 2015 gemeente Diemen

10.1 De gemeente Amsterdam betoogt dat alleen precariobelasting geheven kan worden over gemeentegrond waarop voorwerpen zijn geplaatst.
10.2 Uit vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam volgt dat niet geheven wordt ter zake van het gebruik van gemeentegrond waarop géén voorwerpen zijn geplaatst (ECLI:NL:GHAMS:1990:AS7019). Verder is het vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dat het heffen van precariobelasting voortvloeit uit het uitoefenen door het stadsdeel van haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot het van belanghebbende heffen van precariobelasting met betrekking tot het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond (nr. 08/00173, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411).
10.3 Gezien voormelde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voor de berekening van de precariobelasting ten onrechte is uitgegaan van het aantal vierkante meters van het gehele depot van 3.500 m² dat afgerasterd is. De Verordeningen precariobelasting 2014 en 2015 van de gemeente Diemen bieden namelijk geen grondslag voor heffing van precariobelasting voor de ruimte tussen de op de grond geplaatste voorwerpen. De uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2010 (nr. 08/00173, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411) waarnaar de heffingsambtenaar tijdens de zitting heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. Uit die uitspraak komt niet naar voren of daarvoor een wettelijke grondslag was. Ook de door de heffingsambtenaar genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 september 2014 (ECLI:NL:RBNH:2014:8528) leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak was de Verordening Precariobelasting van de gemeente Haarlem van toepassing. In die verordeningen was expliciet een bepaling opgenomen die het toestond om de ruimtes tussen de geplaatste objecten te gebruiken als heffingsmaatstaf. In de Verordeningen Precariobelasting 2014 en 2015 van de gemeente Diemen ontbreekt zo’n bepaling. Er is dus geen wettelijke grondslag aanwezig om de gronden die tussen de hekken liggen en waarop geen voorwerpen zijn geplaatst, te betrekken bij de heffingsmaatstaf. Dit betekent dat het aantal meters waarover precariobelasting wordt geheven moet worden berekend aan de hand van de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond. De heffingsambtenaar is bij de aanslagen 2014 en 2015 dus uitgegaan van een onjuiste heffingsmaatstaf.
10.4 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak II, voor zover dat ziet op de aanslag 2014, niet in stand kan blijven.
De rechtbank voorziet zelf
11.1 De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de aanslagen precariobelasting over 2014 en 2015 zelf vast te stellen op de in overweging 11.3 aangegeven wijze. De rechtbank zal voorts bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak II.
11.2 De gemeente Amsterdam betoogt dat gedurende het grootste gedeelte van de periode waarop de aanslagen 2014 en 2015 ziet op het perceel helemaal geen objecten stonden, zodat over een groot deel van de periodes geen precario geheven kan worden. Dit betoog slaagt niet omdat de gemeente Amsterdam dit standpunt niet heeft onderbouwd. Weliswaar zijn er foto’s overgelegd, maar die zijn niet toereikend. Uit de foto’s blijkt namelijk niet wanneer die zijn genomen. Bovendien gaat het bij die foto’s om momentopnames.
11.3 Tijdens de zitting heeft de gemeente Amsterdam desgevraagd toegelicht dat de volgende objecten op het perceel hebben gestaan: 3 grote zeecontainers, 3 bouwketens, een puinbreker, losse tegels en stenen, en een hekwerk. Uit de gedingstukken en ook ter zitting is niet duidelijk geworden wanneer deze objecten precies op het depot hebben gestaan en wat de omvang/afmetingen van de objecten zijn. Om een redelijke inschatting van de aanslagen te maken, gaat de rechtbank uit van een gebruik van de gemeentegrond over het hele kalenderjaar 2014 en over de periode 1 januari tot en met 15 maart 2015. De rechtbank hanteert daarbij voor de genoemde objecten de volgende maten:
Grote zeecontainers: 44,31 m² (= 60,58 lang x 24,38 breed = 1.477 m² x 3 zeecontainers)
Bouwketens: 24 m² (=2 m² x 4 m² x 3 bouwketens)
Puinbreker: 24 m² (=8 m² x 3 m²)
Losse tegels en stenen: 4 m² (=2 m² x 2 m²)
Hekwerk: 38,5 m² (=3,5 m² x 11 m²)
Gebruik gemeentegrond in m²: 134,81 m²
Afgerond in m²: 135 m².
11.4 Op grond van artikel 8.1 van de bij de Verordening Precariobelasting 2014 behorende tarieventabel bedraagt de heffing € 48,70 per m² per jaar, zodat voor het jaar 2014 een bedrag van € 6.574,50 (= 135 m² x € 48,70) aan precariobelasting moet worden opgelegd.
11.5 Op grond van artikel 8.1 van de bij de Verordening Precariobelasting 2015 behorende tarieventabel bedraagt de heffing € 5,45 per m² per maand en € 1,50 per m² per week, zodat over de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 maart 2015 een bedrag van € 2.079,- (= 135 m² x (€ 5,45 x 2 =) € 10,90 + 135 m² x (€ 1,50 x 3 =) € 4,50) aan precariobelasting moet worden opgelegd.
11.6 Dit leidt voor de belastingjaren 2014 en 2015 tot een precariobelasting van in totaal € 8.653,50.
Rechtbank Amsterdam 15-08-2017, nr. 16/2794

Precariobelasting 2015 gemeente Apeldoorn

2. Eiseres drijft een winkel aan de [A-straat 1] te [Z] , genaamd “ [A] ” (hierna: het winkelpand). Zij huurt het winkelpand met ingang van [2012] . Voor het winkelpand, op gemeentegrond, staan kaartenhouders met wenskaarten (hierna: de uitstalling). De uitstalling beslaat 6 m2. Aan de gevel van het winkelpand, boven de gemeentegrond, is een luifel (van 29 m2) bevestigd.
3. Met dagtekening 30 april 2016 is aan eiseres over het jaar 2015 een aanslag precariobelasting opgelegd. Voor de uitstalling bedraagt de te betalen precariobelasting € 213,30. Voor de luifel bedraagt de te betalen precariobelasting € 452,40.
4. Partijen houdt verdeeld of verweerder voor zowel de uitstalling als voor de luifel precariobelasting kan heffen. (...)
5. Eiseres stelt primair dat er sprake is van dubbele belastingheffing. Zij erkent dat zij precariobelasting is verschuldigd voor de luifel, maar bestrijdt dat zij daarnaast precariobelasting is verschuldigd voor de uitstalling. (...)
6. In artikel 228 van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een precariobelasting kan worden geheven.
7. De onderhavige aanslag is gebaseerd op de Verordening precariobelasting 2015, van de gemeente Apeldoorn (hierna: de Verordening). Ingevolge artikel 1 “Belastbaar feit” van de Verordening wordt onder de naam precariobelasting een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. In de tarieventabel staan verschillende tarieven vermeld, waaronder een tarief voor uitstallingen en een tarief voor luifels.
8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de beroepsgrond van de dubbele heffing het volgende. Vast staat dat in het onderhavige jaar er voorwerpen op de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond stonden (de uitstallingen) en dat er een luifel boven hing. Voor al deze voorwerpen is volgens de Verordening een afzonderlijk precariorecht verschuldigd, aangezien sprake is van elk op zichzelf staande belastbare feiten. Uit de wettelijke bepaling en de uitwerking die daaraan is gegeven in de Verordening kan niet worden afgeleid dat ingeval een luifel in de heffing wordt betrokken, niet nogmaals voorwerpen kunnen worden belast die op of boven de reeds in de heffing betrokken overkapte grond aanwezig zijn. Dit betekent dat als aan een pand een luifel voorkomt en daaronder zich uitstallingen bevinden, voor alle voorwerpen afzonderlijk precariorecht is verschuldigd. Er is in dit geval geen sprake van een verboden dubbele heffing of van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de verordeningswetgever niet op het oog kan hebben gehad (vergelijk Gerechtshof Arnhem 12 mei 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AA1424).
Rechtbank Gelderland 14-04-2017, nr. 16 _ 5438

Precariobelasting geheven door BSWB

2.1. Belanghebbende exploiteert een onderneming aan de [adres] te [plaats X]. Voor de deur staat op gemeentegrond een reclamebord, een zogenoemde windmaster.
2.2. Aan belanghebbende is voor de windmaster een aanslag precariobelasting 2015 opgelegd ten bedrage van € 156,88. Het tarief is gebaseerd op een bord met een oppervlakte van 2 x 0,5 m². Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.
2.3. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag precariobelasting tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder wenst belanghebbende antwoord op de vraag hoe de afmetingen van windmaster door de gemeente zijn bepaald.
2.4. De rechtbank stelt vast dat de horizontale oppervlakte van de windmaster 0,48 m² (80 bij 60 cm) meet en de verticale oppervlakte 0,72 m² (120 bij 60 cm).
2.6. Ingevolge artikel 228 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening precariobelasting van de [gemeente X] kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, een precariobelasting worden geheven.
In artikel 6, tweede lid, van de Verordening is voor de berekening van de precariobelasting bepaald: “Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.”
In 6.1.3. van de bij de Verordening behorende Tarieventabel is bepaald:
“in andere dan onder 6.1.1 en 6.1.2 van dit hoofdstuk genoemde gevallen bedraagt het tarief per ½ m² van de oppervlakte van de grootste zijde van het voorwerp:
(…)
6.1.3.3 per jaar € 78,44”
2.7. Belanghebbende is van mening dat ‘een zijde’ van een voorwerp geen oppervlakte kan hebben en dat de Verordening in zoverre onduidelijk lijkt.
2.8. Volgens het “Van Dale” woordenboek Nederlandse taal is ‘de zijde’ onder meer “een kant, grensvlak van een lichaam”. Van een grensvlak kan een oppervlakte worden berekend. De Verordening is derhalve voldoende duidelijk. Tussen partijen is niet in geschil dat de grootste zijde van de windmaster een oppervlakte van 0,72 m² heeft.
2.9. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de precariobelasting voor de windmaster van belanghebbende in overeenstemming met de Verordening en de Tarieventabel is vastgesteld op tweemaal € 78,44 gebaseerd op de grootste oppervlakte van de windmaster van 0,72 m². Daarom is het beroep ongegrond.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-02-2017, nr. 16 _ 4921

Precariobelasting 2011 en 2012 gemeente Haarlem

2.1.4. Artikel 5 van de Verordeningen (“Maatstaf van heffing en belastingtarief”) luidt: “De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.”
2.1.5. In de bij de Verordeningen behorende tarieventabellen is voor terrassen aan het Klokhuisplein als heffingsmaatstaf en als tarief opgenomen een vast bedrag per jaar of per maand per m2.
2.1.6. Artikel 6, lid 4, van de Verordening luidt: “4. Bij het plaatsen op openbare grond van voorwerpen van welke aard ook, uitgezonderd bouwmaterialen, wordt de ruimte tussen deze voorwerpen mede geacht te zijn ingenomen of aan het verkeer onttrokken.”
2.1.7. Bij het opleggen van de aanslagen heeft de heffingsambtenaar de hiervoor in 2.1.2 genoemde terrassen voor de heffing in aanmerking genomen. Daarbij is de ruimte tussen het terrasmeubilair, met inbegrip van de gangpaden, mede in de heffing betrokken.
2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor terrassen, gevormd door op de openbare grond geplaatst terrasmeubilair, geldt dat zij het volledige terrein dat zij in beslag nemen aan de openbare dienst onttrekken, inclusief de ruimte tussen dat meubilair. Belanghebbende komt in cassatie op tegen dit oordeel met de stelling dat niet geheven kan worden voor de ruimte tussen het meubilair.
2.3.1. Volgens artikel 228 van de Gemeentewet kan een precariobelasting worden geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Uit het bepaalde in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten vrij zijn om in de belastingverordening de heffingsmaatstaf vast te stellen, met dien verstande dat het bedrag van de belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Deze bepalingen staan er niet aan in de weg dat in een belastingverordening een andere, ruimere, heffingsmaatstaf voor de precariobelasting wordt neergelegd dan de oppervlakte van de grond die in beslag wordt genomen door een daarop geplaatst voorwerp. De in de Verordeningen neergelegde heffingsmaatstaf stelt het bedrag van de belasting niet afhankelijk van het inkomen, de winst of het vermogen. Die heffingsmaatstaf is dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet (vgl. Kamerstukken II, 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 66-67).
2.3.2. Het bepaalde in artikel 6, lid 4, van de Verordeningen is ten aanzien van horeca-terrassen als de onderhavige evenmin in strijd met enige andere rechtsregel of met enig rechtsbeginsel. Het sluit aan bij de rechtsgrond van de precariobelasting, namelijk het belasten van het genot van degene die onder, op of boven gemeentegrond voorwerpen heeft (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p.60). Het is in overeenstemming met die rechtsgrond om bij aaneengesloten horeca-terrassen de oppervlakte van het gehele terras in de heffing te betrekken en niet alleen de ruimte die in beslag wordt genomen door het terrasmeubilair. Van een willekeurige en onredelijke belastingheffing is dan ook geen sprake.
Hoge Raad 17-02-2017, nr. 16/02118

Precariobelasting 2011 gemeente Terschelling

4.1 Met betrekking tot de omvang van het terras overweegt het Hof dat het op de weg van de heffingsambtenaar ligt aannemelijk te maken dat de oppervlakte daarvan op 150 m2 moet worden gesteld. De heffingsambtenaar heeft hiervoor verwezen naar de waarnemingen van [E]. Tegenover de betwisting door belanghebbende heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof hiermee niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De in de rapportages van [E] opgenomen metingen zijn afgerond op hele vierkante meters en daarmee naar het oordeel van het Hof onvoldoende nauwkeurig. De bijgevoegde foto’s maken onvoldoende zichtbaar welke deeloppervlakten zijn gemeten en wat hun hun ligging is ten opzichte van het bedrijfspand. Ook is geen tekening bijgevoegd waarop is aangegeven welke oppervlaktes precies zijn gemeten.
4.2 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de omvang van het op gemeentegrond gelegen vaste terras op 120 m2 moet worden gesteld. Het door hem overgelegde rapport van Makelaardij [F] BV geeft zowel aan de hand van foto’s als aan de hand van een kadastrale kaart gedetailleerd aan welke metingen zijn verricht. Dat deze opname pas in het jaar 2015 is verricht, doet hier niet aan af. De heffingsambtenaar heeft niet weersproken dat de terrasafscheidingen er nog steeds staan en dat de (gemeten) grenzen van het terras aansluiten bij de daarvoor aangebrachte kleur van de bestrating. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de buiten dit terras staande vier plantenbakken welke een oppervlakte van 4 m2 innemen. Gelet hierop gaat het Hof uit van een gebruik van gemeentegrond gedurende het gehele jaar van 124 m2.
4.3 Ten slotte moet nog rekening gehouden worden met de tijdelijk aan [b-straat] geplaatste rij stoelen. Deze rij stoelen is bij de controles door [E] zowel in augustus als in oktober 2011 aangetroffen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze stoelen er in het hoogseizoen (juni tot en met augustus) stonden. Tevens heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij de stoelen in oktober nog niet weg kon halen omdat hij niet wist waar deze neer te zetten. Gelet hierop acht het Hof aannemelijk dat deze stoelen er gedurende de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen periode van zeven maanden hebben gestaan. Niet in geschil is dat het gaat om gebruik van 10 m2 gemeentegrond. Uitgaande van de door de heffingsambtenaar gehanteerde wegingsmethode zoals deze onder de feiten is opgenomen, moet het gebruik van de gemeentegrond voor deze stoelen op jaarbasis op afgerond 5 m2 (7/12 x 10 m2) worden gesteld. Samen met het vaste terras en de plantenbakken moet de aanslag daarom worden gebaseerd op een gebruik van 129 m2 per jaar. Nu de aanslag is gebaseerd op een gebruik van 150 m2 gemeentegrond is het beroep om deze reden al gegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-05-2016, nr. 15/00021

Precariobelasting 2011 en 2012 gemeente Haarlem

4.2.2. Belanghebbende stelt dat sprake is van een ongeoorloofde uitbreiding van de belastingplicht doordat de gemeente de ruimte tussen het terrasmeubilair in de heffing betrekt. Deze uitbreiding is niet toegestaan en leidt volgens belanghebbende tot een willekeurige belastingheffing.
4.2.3. De heffingsambtenaar is van mening dat het is toegestaan om bij de heffing aan te knopen bij de oppervlakte zoals opgenomen in de terrasvergunning en dat het redelijk is deze gehele oppervlakte in de heffing te betrekken wanneer de gehele oppervlakte van het vergunde terras kan worden benut.
4.2.4. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank met hetgeen zij in onderdeel 7 heeft overwogen is uitgegaan van het juiste toetsingskader. Het uitgangspunt is dat het de gemeente vrij staat de heffingsmaatstaf te bepalen (“gemeentelijke vrijheid”). Het Hof voegt daar aan toe dat de gemeente daarbij evenwel is gehouden de heffing van precariobelasting op een zodanige wijze vorm te geven dat wordt voorkomen dat een onredelijke of willekeurige heffing plaatsvindt waarop de wetgever niet het oog heeft gehad (vergelijk Hof Amsterdam 24 september 2004, nr. 03/04096, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR4958).
4.2.5. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank voorts in onderdeel 8 terecht beslist dat de vrijheid die de gemeente bij de vormgeving van de precariobelasting heeft impliceert, dat het haar heeft vrijgestaan om in artikel 6, vierde lid, van de Verordeningen Precariobelasting te bepalen dat, kort gezegd, niet alleen de ruimte die wordt ingenomen door voorwerpen die op de openbare grond zijn geplaatst, zoals terrasmeubilair, in de heffing wordt betrokken, maar ook de ruimte tussen deze voorwerpen.
4.2.6. Belanghebbende klaagt dat deze maatstaf niet wordt gehanteerd voor andere objecten die in de heffing worden betrokken, en dat daarom sprake is van een willekeurige en/of onredelijke heffing. Deze klacht faalt. De ratio van de precariobelasting is gelegen in de omstandigheid dat de betreffende objecten de grond waarop zij geplaatst worden aan de openbare dienst onttrekken. Voor terrassen, gevormd door op de openbare grond geplaatst terrasmeubilair, geldt dat zij het volledige terrein dat zij in beslag nemen aan de openbare dienst onttrekken, inclusief de ruimte tussen dat meubilair. Voor andere objecten geldt dit (in de regel) niet. De heffing over het gehele oppervlakte van het terras is derhalve in overeenstemming met de ratio van de regeling. Van willekeur of onredelijkheid is geen sprake.
Gerechtshof Amsterdam 10-03-2016, nrs. 14/00768 tot en met 14/00771. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard, Hoge Raad 17-02-2017, nr. 16/02118.

Precariobelasting 2012 gemeente Haarlemmermeer

4.3.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat het bestreden besluit en de primaire beschikking niet berusten op een deugdelijke motivering. Daarnaast is volgens belanghebbende het bedrag van de aanslag niet voldoende gemotiveerd.
4.3.2.2. Tevens stelt belanghebbende dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de gemeente (de heffingsambtenaar), bij een zorgvuldige vergaring en beoordeling van de stukken en alle gewisselde correspondentie tussen belanghebbende en de gemeente, nimmer tot de heffing van precariobelasting had kunnen overgaan.
4.3.3. De heffingsambtenaar heeft betwist dat de aanslag niet is gemotiveerd. Deze is gebaseerd op de Verordening en op het aanslagbiljet is vermeld welke metrage is gehanteerd en welk tarief is toegepast. Voorts is in de uitspraak op bezwaar uitvoerig op de grieven van belanghebbende ingegaan. De stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden heeft hij eveneens betwist.
4.3.4.1. Naar het oordeel van het Hof zijn de aanslag, zoals ook blijkt uit een tot de stukken behorende kopie van het originele aanslagbiljet waarop (onder meer) het tarief en het aantal meters leiding zijn vermeld, en de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Vaststaat voorts dat de aanslag is gebaseerd op een daartoe door de heffingsambtenaar van belanghebbende verlangde opgave van het aantal meters elektriciteitsleiding in de gemeente.
Gelet hierop berust de stelling dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zouden zijn geschonden, niet op (voldoende) feitelijke grondslag. Een en ander nog daargelaten dat een schending van deze beginselen bij rechterlijke toetsing van een gebonden beschikking (zoals een aanslag precariobelasting) niet, althans niet zonder meer, kan leiden tot een wijziging van die beschikking.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00573

Precariobelasting 2013 gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude

4.3.1. Over de door belanghebbende gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft de rechtbank het volgende overwogen:
30. Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat de aanslag is opgelegd en de uitspraak op bezwaar is gedaan in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aangezien niet, althans onvoldoende is gemotiveerd waarom eiseres precariobelasting verschuldigd is en hoe de heffing tot stand is gekomen.
31. De rechtbank overweegt dat eiseres op het aanslagbiljet kon zien ter zake van welk voorwerp precariobelasting werd geheven en naar welke maatstaf van heffing en naar welk tarief het bedrag aan belasting was berekend. Mede gelet op de aard van de aanslag, een gebonden beschikking waarbij het een bestuursorgaan niet vrijstaat om in het kader van een belangenafweging de verordening waarbij de heffing van de precariobelasting wordt geregeld buiten toepassing te laten, is geen sprake van een onzorgvuldige belangenafweging. Tot een nadere motivering van de aanslag en de uitspraak op bezwaar was verweerder dan ook niet gehouden (vgl. Hof Amsterdam 26 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6206 en rechtbank Haarlem 23 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:6585).”
4.3.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat het bestreden besluit en de primaire beschikking niet berusten op een deugdelijke motivering. Daarnaast is volgens belanghebbende het bedrag van de aanslag niet voldoende gemotiveerd.
4.3.3. De heffingsambtenaar heeft betwist dat de aanslag niet is gemotiveerd. Deze is gebaseerd op de Verordening en op het aanslagbiljet is vermeld welke metrage is gehanteerd en welk tarief is toegepast. Voorts is in de uitspraak op bezwaar uitvoerig op de grieven van belanghebbende ingegaan. De stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden heeft hij eveneens betwist.
4.3.4.1. Naar het oordeel van het Hof zijn de aanslag, zoals ook blijkt uit een tot de stukken behorende kopie van het originele aanslagbiljet waarop (onder meer) ook het tarief en het aantal meters leiding zijn vermeld, en de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Vaststaat voorts dat de aanslag is gebaseerd op een daartoe door de heffingsambtenaar van belanghebbende verlangde opgave van het aantal meters elektriciteitsleiding in de gemeente. Gelet hierop berust de stelling dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zouden zijn geschonden, niet op (voldoende) feitelijke grondslag. Een en ander nog daargelaten dat een schending van deze beginselen bij rechterlijke toetsing van een gebonden beschikking (zoals een aanslag precariobelasting) niet, althans niet zonder meer, kan leiden tot een wijziging van die beschikking.
De metrage
4.4.1. Ter zake van het aantal meters elektriciteitsleiding (het metrage) waarop de aanslag is gebaseerd heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“20. Eiseres heeft in haar brief van 2 februari 2015 als aanvullende beroepsgrond naar voren gebracht dat het aantal meters elektriciteitskabel in de gemeente niet 116.269 maar 47.606 bedraagt, zodat de aanslag berust op een onjuiste grondslag. Zij heeft dit geconstateerd aan de hand van een onlangs van de gemeente ontvangen digitale tekening met de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Als zij haar eigen tekening waarin haar netwerk is vastgelegd op de tekening van de gemeente legt dan loopt slechts 47.606 meter elektriciteitskabel in voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.
21. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat deze beroepsgrond buiten beschouwing moet worden gelaten, gelet op het late stadium waarin de grond naar voren is gebracht. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van de door eiseres verstrekte gegevens. De digitale tekening van de gemeente waar eiseres haar standpunt op baseert bevat niet een volledige weergave van alle bij de gemeente in eigendom behorende percelen, maar slechts een selectie. Bovendien zijn in de eigen tekening die eiseres aan verweerder heeft verstrekt wel de hoofdstrengen van het netwerk ingetekend, maar niet de ver- of aftakkingen. Verweerder heeft verder geconstateerd dat in de 47.606 meter die thans wordt genoemd een groot deel van Spaarndam niet is meegenomen.
22. De rechtbank is weliswaar met verweerder van oordeel dat de nieuwe beroepsgrond in een laat stadium is ingebracht, maar nu verweerder in de gelegenheid is gesteld om zowel schriftelijk als ter zitting van 2 april 2015 hierop te reageren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hierdoor niet in zijn processuele belangen is geschaad. De rechtbank zal deze nieuwe beroepsgrond daarom niet buiten beschouwing laten.
23. Het oorspronkelijk door eiseres opgegeven aantal meters elektriciteitskabel in de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond is gebaseerd op haar eigen informatiesysteem. Verweerder mocht bij het opleggen van de aanslag uitgegaan van de eigen opgave van eiseres (vgl. Hof Amsterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4182). Nu enerzijds verweerder de stelling van eiseres dat slechts 47.606 meter elektriciteitskabel in de heffing mag worden betrokken gemotiveerd heeft betwist en anderzijds eiseres haar stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd nu zij (een uitdraai van) de digitale tekening van de gemeente en (een uitdraai van) haar eigen tekening niet aan de rechtbank heeft overgelegd, faalt haar stelling dat er te veel meters kabel in de heffing zijn betrokken.”
4.4.2.1. Belanghebbende heeft ook in hoger beroep gesteld dat de metrage niet 116.269, maar 47.606 bedraagt. Belanghebbende stelt het aantal meters netwerk op basis van een geografisch informatiesysteem (GIS) nauwkeurig te kunnen bepalen en verzoekt de gemeente daartoe een digitale kaart aan te leveren met de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Op basis van deze kaart kan belanghebbende dan de op, in of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond liggende kabels en leidingen selecteren. Volgens belanghebbende heeft de gemeente de desbetreffende kaart aangeleverd, maar vervolgens gesteld dat die kaart onjuist zou zijn. Volgens belanghebbende zou de gemeente hebben gesteld dat het aantal percelen groter was, maar zou het daarbij (volgens de gemeente) om een situatie ‘per heden’ gaan, terwijl de aanslag is gebaseerd op de situatie bij aanvang van het belastingtijdvak 2013. Daarbij zijn ook de aansluitkabels- en leidingen naar de woningen meegenomen voor zover deze in voor de openbare dienst bestemde grond liggen, aldus belanghebbende.
4.2.2.2. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, zoals blijkt uit de namens haar overgelegde en voorgedragen pleitnota, over de metrage nog het volgende opgemerkt:
“De Gemeente heeft inmiddels een nieuwe kaart aangeleverd bij uw Hof. [Hof: in een noot wordt verwezen naar bijlage 4 bij het verweerschrift in hoger beroep] Ten aanzien van deze kaart merkt [belanghebbende] op dat deze kaart voor [belanghebbende] niet bruikbaar is om het juiste metrage alsnog vast te kunnen stellen. Om het metrage te meten is – zoals bij de Gemeente bekend – een DWG-bestand nodig. [Belanghebbende] verzoekt uw Hof om de Gemeente op te dragen om de (ditmaal correcte) kaart als DWG-bestand naar [belanghebbende] te sturen, zodat [belanghebbende] nogmaals het metrage kan meten.”
4.4.2.3. En overigens acht belanghebbende de wijze waarop de heffingsambtenaar het aantal meters heeft vastgesteld niet zorgvuldig.
4.4.3. De heffingsambtenaar stelt dat de aanslag is gebaseerd op de opgave van het aantal meters netwerk die belanghebbende desgevraagd heeft gedaan. In hoger beroep verwijst de heffingsambtenaar naar zijn brief aan de rechtbank van 17 maart 2015 waarin hij het bij brief aan de rechtbank van 2 februari 2015 door belanghebbende (nader) ingenomen standpunt dat het aantal meters netwerk 47.606 bedraagt gemotiveerd heeft betwist. De heffingsambtenaar heeft in dat verband gesteld dat hij op een kaart de verschillen heeft aangegeven tussen de percelen van de gemeente waarop belanghebbende haar stelling baseert en de percelen die volgens de heffingsambtenaar in aanmerking moeten worden genomen. Voorts heeft de heffingsambtenaar opgemerkt dat waar in zijn brief van 17 maart 2015 sprake is van ‘per heden’, daarmee bedoeld is per 1 januari 2013.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat hij met betrekking tot het grootste perceel waarover onduidelijkheid bestond, te weten Spaarndam-Oost (L3414), de eigendomssituatie per 1 januari 2013 bij het Kadaster heeft opgevraagd en dat het Kadaster heeft bevestigd dat dat perceel in eigendom was van de gemeente.
Vervolgens heeft de heffingsambtenaar, naar hij heeft gesteld, bij het Kadaster alle verkoop- en aankooptransacties opgevraagd die tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015 hebben plaatsgevonden en waarbij de gemeente was betrokken. De desbetreffende opgave van het Kadaster is door de heffingsambtenaar overgelegd (verweerschrift in hoger beroep, bijlage 2 en 3). Op basis van deze opgave en wat de heffingsambtenaar noemt ‘de actuele stand’ is door hem herleid welke percelen op 1 januari 2013 in eigendom van de gemeente waren.
De heffingsambtenaar verwijst op dit punt naar een door hem bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde kaart (verweerschrift in hoger beroep, bijlage 4) en stelt dat op grond van deze gegevens de ‘digitale tekening met de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’ die belanghebbende in een eerder stadium van de gemeente heeft verkregen en waarop zij haar stelling baseert dat de metrage 47.606 bedraagt, niet juist is en dat derhalve ook de door belanghebbende gestelde metrage niet juist is.
4.4.4. Ook in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd betwist dat het aantal in aanmerking te nemen meters elektriciteitsnetwerk 47.606 bedraagt. Hiervan uitgaande heeft het in beginsel op de weg van belanghebbende gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Daartoe diende belanghebbende, naar zij ter zitting van het Hof heeft verklaard, te beschikken over nadere informatie van de kant van de gemeente. Het heeft op de weg van belanghebbende gelegen om deze behoefte tijdig kenbaar te maken. Voor de tijdigheid van dit kenbaar maken knoopt het Hof, nu het om een feitelijke kwestie gaat, aan bij de tiendagentermijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbende is voor het kenbaar maken van haar wens om over nadere informatie te beschikken in de gelegenheid geweest na ontvangst van het verweerschrift in hoger beroep, gedagtekend 15 oktober 2015, maar heeft daarmee gewacht tot de zitting van het Hof. Desgevraagd heeft belanghebbende voor deze handelwijze geen verklaring gegeven. Onder deze omstandigheden valt een afweging van het belang dat belanghebbende heeft bij aanhouding van de zaak (teneinde op de voet van artikel 8:45 van de Awb de heffingsambtenaar te verzoeken nadere informatie te verstrekken) tegenover het belang van een efficiënte voortgang van de behandeling van de zaak, uit in het nadeel van belanghebbende. Het Hof zal derhalve niet alsnog de heffingsambtenaar verzoeken om de door belanghebbende gewenste nadere informatie te verstrekken.
Hiervan uitgaande baseert het Hof zijn oordeel in beginsel op de metrage die op verzoek van de heffingsambtenaar bij brief van belanghebbende van 3 juli 2012 is verstrekt. Het heeft vervolgens op de weg van belanghebbende gelegen om aannemelijk te maken dat de aanvankelijk opgegeven metrage niet juist is. Tegenover de gemotiveerde weerspreking door de heffingsambtenaar van hetgeen belanghebbende in dat verband in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd, acht het Hof haar daarin echter niet geslaagd.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00560

Precariobelasting 2014 gemeente Rotterdam

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 31 maart 2015, met betrekking tot het [object] (hierna: het café), voor het belastingjaar 2014 twee aanslagen precariobelasting opgelegd, te weten een aanslag van € 340,20 voor 55 m² bij vestiging (hierna: aanslag 1) en een aanslag van € 9.273,00 voor 380 m² terras (hierna: aanslag 2).
1. Eiseres is exploitant van het café. Bij het café exploiteert zij vier terrassen die zijn gesitueerd op gemeentegrond. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij gebruik maakt van de terrasoppervlakten die zij volgens de exploitatievergunning mag gebruiken. Aan de hand van de door verweerder in het geding gebrachte exploitatievergunning, gedateerd 22 december 2011 en met een geldigheidsduur van 5 jaren, stelt de rechtbank vast dat de aanslagen zien op de volgende terrassen:
- gevelterras [adres 1],75 m² (terras nr.1);
- overterras [adres 2] m² (terras nr. 2);
- overterras [adres 3],50 m² (terras nr. 3);
- gevelterras [adres 4],50 m² (terras nr. 4)
In aanslag 1 zijn de terrassen nrs. 1 en 4 begrepen (de gevelterrassen) en in aanslag 2 de terrassen nrs. 2 en 3 (de overterrassen).
Het geschil
2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld.
Artikel 5 Tarieven
1. De belastingen worden berekend naar de in dit artikel vermelde tarieven met inachtneming van de in dit artikel opgenomen voorschriften.
2. Voor de toepassing van dit artikel worden de op de voet van artikel 4, derde of vijfde lid, bepaalde oppervlakten van voorwerpen, onderscheidenlijk aankondigingen, die bij een vestiging behoren, bij elkaar opgeteld.
4. Het tarief van de precariobelasting is: (...)
5. In afwijking van het vierde lid is het tarief van de precariobelasting voor voorwerpen die tezamen een terras vormen:
a. indien de oppervlakte van het terras niet meer is dan 50 vierkante meter: nihil;
Beoordeling van het geschil
Aanslag 1
2.2. De rechtbank is van oordeel dat aanslag 1, die ziet op de gevelterrassen, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a van de verordening, ten onrechte is opgelegd. De oppervlakte van gevelterras nr. 1 bedraagt 6,75 m2 en die van gevelterras nr. 4 bedraagt 13,50 m². Op grond van artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a van de verordening is het tarief van de precariobelasting in afwijking van het vierde lid voor voorwerpen die tezamen een terras vormen, indien de oppervlakte van het terras niet meer is dan 50 vierkante meter nihil.
Het beroep is reeds hierom gegrond zodat aanslag 1 en het bestreden besluit voor zover dit ziet op aanslag 1, dienen te worden vernietigd.
Aanslag 2
2.3. Met betrekking tot aanslag 2 (de overterrassen) stelt de rechtbank vast dat verweerder in afwijking van de exploitatievergunning, 380 m² aan terrasoppervlakte in de precariobelasting heeft betrokken. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de feitelijke situatie wordt beoordeeld alvorens de aanslag aan de belastingplichtige wordt opgelegd. Verweerder neemt aan dat uit dit onderzoek is gebleken dat er slecht 380 m² als terras in gebruik is geweest.
Rechtbank Rotterdam 02-03-2016, nr. 15/4006

Precariobelasting 2011 gemeente Blaricum

5.13. Belanghebbende heeft in haar meer subsidiaire standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de voorlopige aanslag is uitgegaan van onjuiste, althans onevenredig hoge en naar willekeur vastgestelde metrages. In hoger beroep heeft zij daaraan toegevoegd dat, indien de Regeling met de inwerkingtreding van de Elektriciteitswet 1989 is geëindigd (zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld), dit gelet op de in 5.5.1 genoemde uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 maart 2008 tot gevolg heeft dat de metrages van de werken die reeds vóór 8 december 1989 in de gemeentegrond aanwezig waren, niet in de precariobelasting kunnen worden betrokken.
5.14. Het Hof kan belanghebbende niet in dit laatste betoog volgen. Het oordeel van de rechtbank Haarlem dat de (daar aan de orde zijnde) aanslagen precariobelasting niet in stand konden blijven voor zover deze zagen op de op 8 december 1989 reeds in de grond van de gemeente Bennebroek aanwezige werken van de belanghebbende in die procedure, was immers gebaseerd op de tussen die belanghebbende en de gemeente Bennebroek gesloten ‘overeenkomst 1970’ welke, kort gezegd, een looptijd had gelijk aan die van de Regeling en welke in artikel 6 expliciet bepaalde dat de toezegging, dat de belanghebbende geen precariobelasting verschuldigd was, na beëindiging van de ‘overeenkomst 1970’ zou blijven bestaan voor de alsdan aanwezige werken. Van een dergelijke toezegging of een vergelijkbare bepaling is echter in de Regeling (of in de Koopovereenkomst of de Infrastructuurovereenkomst) geen sprake. De heffingsambtenaar was derhalve niet gehouden de op 8 december 1989 reeds aanwezige metrages buiten beschouwing te laten.
5.15.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 ten onrechte de schatting van de metrages van de heffingsambtenaar heeft gevolgd. De benchmarkgegevens waarop de heffingsambtenaar zich heeft gebaseerd, zijn ontleend aan vergelijkingscijfers van andere gemeenten, maar de onderhavige materie leent zich volgens belanghebbende niet voor een dergelijke eenvoudige vergelijking. De gemeente Blaricum wordt gekenmerkt door met name grote huizen aan lange lanen en er is weinig industrie en grootverbruik; daarom liggen er in de gemeente Blaricum minder laagspanning en middenspanning in de grond en is het metrage aan elektriciteitsleidingen in de gemeentegrond van Blaricum lager dan in de door de heffingsambtenaar genomen benchmarkgemeenten.
De door belanghebbende in augustus 2011 aan de heffingsambtenaar opgegeven metrages zijn afkomstig uit het geografisch informatiesysteem van belanghebbende; de opgave in het beroepschrift week enigszins af van die eerder gedane opgave omdat in 2011 een conversie van het oude (BSI-E en BMIS) systeem naar het nieuwe (NRG) systeem heeft plaatsgevonden en data zijn geschoond en gecontroleerd op volledigheid en kwaliteit. Belanghebbende heeft daarna nog een dwg-bestand (een digitale kaart waarop de kabels en leidingen zijn aangegeven) aan de heffingsambtenaar gezonden dat de eerdere gegevens van belanghebbende ter zake van de metrages ondersteunt: per 1 januari 2013 bedraagt het elektriciteitsnetwerk 111.863 meter en het gasnetwerk 74.256 meter, aldus (nog steeds) belanghebbende.
5.15.2. Het Hof stelt voorop dat op de heffingsambtenaar de last rust aannemelijk te maken dat de voorlopige aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. De heffingsambtenaar heeft daartoe in hoger beroep, in aanvulling op hetgeen hij daaromtrent reeds eerder heeft gesteld, nader toegelicht dat de door hem gehanteerde benchmark ná augustus 2011 nog verder is ontwikkeld door het adviesbureau van de Gemeente, aan de hand van door belanghebbende aan andere gemeenten (die bij de invoering van precariobelasting ook door dit adviesbureau worden bijgestaan) aangeleverde gegevens. Op basis daarvan is een nieuwe benchmark voor de gemeente Blaricum bepaald. Voorts is uit onderzoek door de gemeente Oostzaan gebleken dat de lengte van aftakkingen van de netwerken naar huisaansluitingen, welke niet in de opgaven van belanghebbende zijn begrepen, ongeveer 30% van de door belanghebbende voor die gemeente opgegeven metrages bedroeg. Voorzichtigheidshalve uitgaande van een correctie van 20% op de gegevens uit de laatste benchmark komen de te belasten metrages volgens de heffingsambtenaar op 198.000 voor het elektriciteitsnetwerk en 90.000 voor het gasnetwerk, ofwel tezamen op 288.000. Nu de voorlopige aanslag naar een totaalmetrage van 281.000 is opgelegd, is deze niet te hoog, zo stelt hij.
5.15.3. Het Hof acht deze door de heffingsambtenaar gemaakte schatting onvoldoende overtuigend om tot het oordeel te komen dat de heffingsambtenaar in zijn bewijslast is geslaagd. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de door belanghebbende desgevraagd aan de heffingsambtenaar opgegeven metrages, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet op een schatting berusten maar afkomstig zijn uit het eigen informatiesysteem van belanghebbende dat zij voor haar netbeheer activiteiten gebruikt (zie 2.5.2). Deze gegevens zijn specifiek voor de gemeente Blaricum en dienen betrouwbaar te zijn; niet valt in te zien dat aan een schatting op basis van een (per definitie niet-gemeente-specifieke) benchmark meer waarde zou moeten worden gehecht. Bovendien heeft belanghebbende desgevraagd, toen haar (feitelijke) gegevens bleken af te wijken van de benchmark, daarvoor een verklaring gegeven welke niet onredelijk voorkomt. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de onderhavige voorlopige aanslag diende uit te gaan van de door belanghebbende opgegeven metrages. Dat bij die opgave wellicht, in enige mate (ook dit gegeven is gemeente-specifiek en daarom niet ‘vast’) geen rekening is gehouden met aftakkingen van de netwerken naar huisaansluitingen, doet daaraan niet althans onvoldoende af.
5.15.4. Overigens is het Hof van oordeel dat ook het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding de heffingsambtenaar ertoe noopte uit te gaan van de door belanghebbende opgegeven metrages, nu de heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de voorlopige aanslag over geen enkel ander ‘hard’ feitelijk gegeven beschikte dan die, op een geobjectiveerde interne vastlegging door belanghebbende berustende, opgave. Het Hof acht het in strijd met de jegens belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid om van die opgave af te wijken op basis van een benchmark die eveneens is gebaseerd op van belanghebbende afkomstige gegevens, en die niet zonder meer tot die afwijking noopt.
5.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de nader door belanghebbende in hoger beroep aangeleverde metrages zal het Hof de onderhavige voorlopige aanslag verlagen naar (afgerond) 112.000 meter voor het elektriciteitsnetwerk meter en 74.000 meter voor het gasnetwerk, ofwel tot (186.000 x € 1,10 =) € 204.600.
Gerechtshof Amsterdam 02-10-2014, nr. 13/00611

Precariobelasting 2011 gemeente Amsterdam

6.1. Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingsverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de heffing van precariobelasting gebaseerd op de oppervlakte van een object op basis van, kort gezegd, de grootste rechthoek zoals in de verordening omschreven, blijft binnen de door artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet gestelde grenzen.
6.2. Het Hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onredelijke of willekeurige belastingheffing. De gehanteerde heffingsmaatstaf leidt er weliswaar toe dat van belanghebbende precariobelasting geheven wordt over een groter oppervlak dan het door de woonark werkelijk inbeslaggenomen oppervlak, maar dit leidt, evenals de omstandigheden dat een deel van het oppervlak mogelijk dubbel in de heffing wordt betrokken en dat de woonboot op vordering van de gemeente versmald is, niet tot een onredelijke of willekeurige belastingheffing. De heffingsambtenaar maakt, binnen de grenzen van de Gemeentewet, gebruik van een objectieve maatstaf die in voldoende mate in relatie staat tot het belastbare feit. Dat de belastingheffing in casu anderszins in strijd komt met enig algemeen rechtsbeginsel is niet, althans onvoldoende, gebleken, daargelaten nog dat in de door de heffingsambtenaar naar voren gebrachte elementen van eenvormigheid en efficiency een objectieve rechtvaardiging daarvoor zou kunnen worden gevonden.
De aanslag precariobelasting van € 735,30 is op grond van het vorenstaande terecht aan belanghebbende opgelegd.
Gerechtshof Amsterdam 11-01-2013, nr. 11/00925. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 09-08-2013, nr. 13/01005.

Precariobelasting 2007-2009 gemeente Amsterdam

5.5. Belanghebbende heeft gesteld dat nu de precariobelasting een vergoeding vormt voor het gebruik van de grond, de waarde van de grond als maatstaf zou moeten gelden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gemeente de grond waarboven de woonboot zich bevindt, in 2005 heeft verkregen voor een bedrag van € 1,00 per m2.
Hieromtrent overweegt het Hof als volgt. De precariobelasting moet worden aangemerkt als een belasting en niet als een recht dat wordt geheven als tegenprestatie voor het gebruik van de gemeentegrond. Dat brengt met zich mee dat er geen relatie behoeft te zijn tussen de waarde van de grond en de hoogte van het tarief van de precariobelasting.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in overweging 4.25 met juistheid heeft geoordeeld dat er geen sprake is van willekeurige of onredelijke tarieven en maakt de daartoe gebezigde overwegingen tot de zijne. Deze grief kan derhalve niet tot vermindering of vernietiging van de aanslagen leiden.
Gerechtshof Amsterdam 14-06-2012, nrs. 11-00198 en 11-00199. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard, Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/03632.

TARIEFSTELLING

Precariobelasting 2011 gemeente Maasdriel

4.5.1. In eerste aanleg heeft belanghebbende gesteld dat het door de gemeente gehanteerde tarief onevenredig hoog is en naar willekeur is vastgesteld. In dit verband voert belanghebbende aan dat het tarief in de gemeente Maasdriel neerkomt op een heffing per huishouden van € 227, terwijl de heffing per huishouden in de gemeenten Bloemendaal en Leiderdorp € 23 respectievelijk € 30 bedraagt. Voorts vermeldt belanghebbende dat het tarief per meter netwerk in de gemeente Rotterdam met € 1,20 veel lager is dan dat in de gemeente Maasdriel.
4.5.2. Bij de beoordeling van deze stelling geldt als uitgangspunt dat aan gemeenten binnen de grenzen van de Gemeentewet een autonome bevoegdheid is toegekend om de tarieven van de precariobelasting vast te stellen. Gebruik van die bevoegdheid mag niet een onredelijke belastingheffing tot gevolg hebben waarop de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid aan de raad niet het oog kan hebben gehad. Het tarief voor de onderhavige precariobelasting is in de bij de Verordening behorende Tarieventabel gerelateerd aan het aantal meters leiding, kabel of buis waarop de heffing betrekking heeft. Deze maatstaf is niet willekeurig of onredelijk. Van een tarief van € 2,24 per strekkende meter kan, ook als in aanmerking wordt genomen dat het tarief betrekking heeft op het tijdvak van 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011, niet worden geoordeeld dat dit onredelijk is. Evenals de rechtbank verwerpt het Hof derhalve de stelling dat het tarief onevenredig hoog en naar willekeur is vastgesteld.
Hof Amsterdam 21-09-2017, nr. 16/00533

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

5.6.1. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat zij haar voor de rechtbank ingenomen stelling met betrekking tot het toegepaste tarief heeft gehandhaafd. In de uitspraak van de rechtbank is hierover het volgende vermeld (met ‘eiseres’ is belanghebbende aangeduid en met ‘verweerder’ de heffingsambtenaar):
“7.1. Eiseres voert aan dat de bestreden uitspraak op bezwaar en het primaire besluit uitgaan van een onevenredig hoog en naar willekeur vastgesteld tarief van precariobelasting. De gehanteerde tariefstelling impliceert een heffing van € 98,- per huishouden per jaar, terwijl gemeenten als Bloemendaal en Leiderdorp respectievelijk € 23,- (2010) en € 30,- (2011) per huishouden per jaar heffen. De gemeente Nieuwkoop hanteert voor het belastingjaar 2011 een tarief van € 0,74 per strekkende meter per jaar, terwijl de gemeente Naarden een tarief van € 2,16 per strekkende meter per jaar hanteert. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt hoe dit tarief is vastgesteld en waarom het tarief in de gemeente Naarden een veelvoud is van de tarieven in andere gemeenten.
7.2. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Aan de gemeenten is, binnen de grenzen van de Gemeentewet, een autonome bevoegdheid toegekend om de tarieven voor de heffing van precariobelastingen vast te stellen. Gebruik van die bevoegdheid mag echter niet een onredelijke belastingheffing tot gevolg hebben waarop de wetgever niet het oog kan hebben gehad bij het toekennen van deze bevoegdheid aan de gemeenteraad. Het tarief voor de onderhavige precariobelasting is in artikel 5 van de Verordening op de heffing en invordering precariobelasting 2012 afhankelijk gesteld van het aantal meters van de leidingen en kabels, te rekenen met een vast bedrag per meter. Deze maatstaf is in beginsel niet willekeurig of onredelijk. De gemeenten zijn ook niet verplicht een rechtevenredig of degressief tarief te hanteren. Eiseres heeft met de enkele verwijzing naar lagere precariotarieven in drie andere gemeenten niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige tarieven leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing.”
5.6.2. Het Hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank onder 7.2 van haar uitspraak heeft overwogen en maakte deze overweging tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
Gerechtshof Amsterdam 21-03-2017, nr. 16/00289

Precariobelasting 2011 gemeente Terschelling

4.4 Belanghebbende heeft aangevoerd dat de met ingang van 1 januari 2011 ingevoerde tariefdifferentiatie onverbindend is omdat daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is gegeven. Het Hof overweegt in dit verband dat op grond van artikel 228 van de Gemeentewet door de gemeente een belasting kan worden geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Deze belasting heeft het karakter van een algemene belasting, hetgeen niet alleen meebrengt dat de gemeente vrij is in de besteding van de opbrengst van die belasting, maar ook dat het de gemeente vrij staat die belasting te beperken tot een gedeelte van haar grondgebied, of, zoals hier aan de orde is, afhankelijk van de ligging van de grond andere tarieven te hanteren. Wel dient voor het gemaakte onderscheid (zoals de tariefdifferentiatie) een objectieve en redelijke rechtvaardiging te bestaan (vergelijk HR 21 juni 2000, nr. 33816, ECLI:NL:HR:2000:AA6253, BNB 2000/272 en HR 11 november 2011, nr. 10/04446, ECLI:NL:HR:2011:BR4564, BNB 2012/18).
4.5 Uit de hiervoor onder de feiten opgenomen toelichting op de wijziging van de Verordening per 1 januari 2011 kan slechts worden afgeleid dat de gemeentelijke wetgever heeft geconstateerd dat tariefdifferentiatie op grond van een beslissing van de rechtbank Haarlem onder omstandigheden is toegestaan. Uit die toelichting blijkt niet dat de in die uitspraak van de rechtbank Haarlem genoemde aanleiding, te weten het voorkomen dat de straten in het druk bezochte centrum van de betreffende stad te vol worden, zich ook op Terschelling voordoet en aan het besluit tot tariefdifferentiatie ten grondslag heeft gelegen. Evenmin blijkt hoe een tariefdifferentiatie een bijdrage zou kunnen leveren aan het voorkomen dat de straten in het centrum te vol zouden worden.
4.6 Ter zitting heeft de heffingsambtenaar gesteld dat getracht is verschil aan te brengen tussen drukbezochte en minder drukbezochte straten, maar dat dit onderscheid feitelijk geen ander doel dan belastingheffing heeft. Volgens de heffingsambtenaar moet de gemeente in drukke straten met grote terrassen meer kosten maken om de straten aantrekkelijk te houden. Het gaat dan niet om de kosten van schoonmaken en afvalinzameling, maar om het doen van investeringen in algemene ruimten in de winkelstraten. De gemeente heft andere belastingen om de gemeente schoon te houden. Belanghebbende betwist dat de door de heffingsambtenaar ter zitting gestelde reden aan de tariefdifferentiatie ten grondslag ligt. Hij wijst erop dat dit argument niet eerder door de heffingsambtenaar naar voren is gebracht.
4.7 Het Hof overweegt dat de door de heffingsambtenaar ter zitting gegeven toelichting geen grondslag vindt in de toelichting op de wijziging van de Verordening. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar niet toegelicht waaruit die gestelde (extra) investeringen in de drukke gedeelten van het eiland bestaan en waarom het redelijk is de lasten hiervan slechts bij de terrashouders in die drukke gedeelten neer te leggen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de ingevoerde tariefdifferentiatie berust op een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Dat betekent dat de Verordening in zoverre onverbindend moet worden verklaard en dat de aanslag moet worden gebaseerd op het in de Verordening opgenomen lage tarief voor B locaties van € 31,50 per m2 per jaar.
4.8 Ten slotte heeft belanghebbende nog aangevoerd dat op 1 januari 2011 sprake is geweest van een onredelijke tariefsverhoging door de verlenging van de periode waarover wordt geheven van zes naar negen maanden. Dit leidt tot een verhoging van 50%. Volgens belanghebbende had de gemeente de tariefsverhoging geleidelijk moeten invoeren zodat hij als ondernemer zijn bedrijfsvoering daarop had kunnen inrichten. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de tarieven enigszins waren achterhaald, dat gebleken is dat de terrassen vaak langer dan zes maanden in gebruik zijn en dat de terrashouder de mogelijkheid heeft te laten weten dat hij gedurende een kortere periode dan negen maanden gebruik maakt van het terras.
4.9 Het Hof stelt voorop dat de vaststelling van de tarieven van de gemeentelijke belastingen een bevoegdheid is van de gemeenteraad en dat de belastingrechter niet bevoegd is te oordelen over de in de Verordening bepaalde tarieven. Dat is slechts anders als door de tariefstelling sprake zou zijn van een zodanig onredelijke of willekeurige heffing, dat moet worden geoordeeld dat de wetgever die niet op het oog kan hebben gehad. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de belastingheffing voor hem of andere ondernemers met ingang van 1 januari 2011 onredelijk hoog is geworden of dat sindsdien sprake is van een willekeurige heffing. Gelet op hetgeen uit de toelichting op de wijziging van de Verordening blijkt en door de heffingsambtenaar is aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof evenmin worden gesproken van een onredelijke of willekeurige tariefsverhoging. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende nog heeft aangevoerd, de gemeente enerzijds weigert mee te werken aan het overdekken van de terrassen en anderzijds de opbrengst van de precariobelasting in de algemene middelen laat vloeien, doet hier niet aan af.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-05-2016, nr. 15/00021

Precariobelasting 2014 gemeente Rotterdam

2.4. De beroepsgrond dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat eiseres slechts vijf in plaats van zeven dagen per week gebruik mag maken van het terras nu het haar niet is toegestaan het terras te plaatsen op dinsdag en zaterdag, is slechts van toepassing op overterras nr. 3. Ten aanzien van dit terras slaagt de beroepsgrond.
2.5. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen gemeenten, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regels, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het best verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21591, nr. 3, blz. 65-67 en 77-78). Voor rechterlijk ingrijpen is pas plaats indien de gekozen tariefstelling leidt tot willekeurige of anderszins onredelijke belastingheffing die de (formele) wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
Voor de beoordeling of daarvan sprake is moet eerst worden beoordeeld of in dit concrete geval sprake is van een willekeurige of onredelijke regeling waarbij de opstellers tijdens het opstellen van die regeling duidelijk moest zijn dat die regeling leidt tot een belasting – in dit geval de precariobelasting – waarvoor de (formele) wetgever niet heeft bedoeld hen die bevoegdheid te geven (vergelijk Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3495). Als ook dit het geval is, dient verweerder te motiveren waarom ondanks de gekozen heffingsmaatstaf toch geen sprake is van een willekeurige of onredelijke heffing (vergelijk Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0273).
2.6. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij, op grond van de haar verleende exploitatievergunning, als enige terrasexploitant in [plaatsnaam] het terras twee dagen per week moet ontruimen. Voor de precariobelasting wordt zij aangeslagen alsof zij het terras zeven dagen per week mag exploiteren, hetgeen zoals gezegd niet het geval is. Verweerder heeft dit onweersproken gelaten, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.
De aanslag precariobelasting is gebaseerd op de verordening. De verordening kent in de artikelen 8 lid 1 en lid 2 en 9, lid 2, aanhef en onderdeel e, geen ontheffings- dan wel vrijstellingsmogelijkheid als het terras op grond van de geldende exploitatievergunning niet mag worden gebruikt. Daarbij heeft verweerder verklaard dat hij dit niet onredelijk of onbillijk acht en dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afgegeven exploitatievergunning. Eiseres wist dus dat zij het terras maar vijf dagen per week kon gebruiken.
2.7. Naar het oordeel van de rechtbank is op het eerste gezicht sprake van een onredelijke belasting. Op grond van vaste jurisprudentie mag een in rechte onaantastbare exploitatievergunning als uitgangspunt worden gehanteerd voor de berekening van de precario-belasting. Dit betekent dat het aantal vierkante meters en de geldigheidsduur van de vergunning ten grondslag liggen aan de berekening van de hoogte van de aanslag. Uit het hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er bij de gekozen heffingsmaatstaf – oppervlakte van het terras in combinatie met een jaartarief – sprake dient te zijn van een zekere evenredigheid tussen de oppervlakte van het terras, de geldigheid van de vergunning binnen het belastingjaar en het tarief. In de onderhavige vergunning is echter nog een bijzondere variabele aan de geldigheidsduur toegevoegd in de vorm van een beperking van het aantal dagen per week dat het terras mag worden geëxploiteerd. Deze variabele heeft verweerder bij het berekenen van de hoogte van de aanslag buiten beschouwing gelaten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verordening geen aanknopingspunten kent voor de door eiseres bepleite restitutie. Toepassing van het tarief overeenkomstig de verordening leidt naar het oordeel van de rechtbank echter tot een belastingbedrag per m² per dag dat het terras mag worden gebruikt, dat ruim 28% hoger ligt dan het belastingbedrag per m² per dag dat gangbaar is voor een terras dat door de exploitant 7 dagen per week mag worden gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de hoogte van dit percentage, in dit specifieke geval sprake is van willekeurige of onredelijke belastingheffing hetgeen de gemeentelijke wetgever, gelet op de volgens eiseres in het verleden hierover gevoerde discussies, ook duidelijk moet zijn geweest ten tijde van het vaststellen van de verordening. Ter motivering voor de keuze van de raad om desondanks vast te houden aan de gekozen heffingsmaatstaf en tariefstructuur heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat, in verband met de uitvoerbaarheid en het beperken van de uitvoeringskosten, ervoor is gekozen het tarief niet nader te differentiëren. Voor zover dit dient te worden gezien als een motivering, is deze ontoereikend, omdat hieruit geen reden volgt waarom de in de exploitatievergunning opgenomen beperking niet in de berekening van het tarief zou kunnen worden betrokken.
De geldigheidsduur van een exploitatievergunning zonder beperking bedraagt op jaarbasis immers 365 dagen terwijl de materiële geldigheidsduur van de vergunning van eiseres slechts 261 dagen bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat de tariefstelling van artikel 5, lid 5, onderdeel b, van de verordening in het onderhavige geval onverbindend is gelet op het vorenstaande en op het feit dat in de tariefstelling geen rekening is gehouden met het feit dat belanghebbende terras nr. 3 slechts vijf dagen in de week mag gebruiken.
2.8. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de verordening ten aanzien van toepassing op overterras nr. 3 onverbindend moet worden geacht. Gelet daarop zal de rechtbank aanslag 2 zodanig verminderen met 2/7 van de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen oppervlakte van overterras 3.
Rechtbank Rotterdam 02-03-2016, nr. 15/4006

Precariobelasting 2010 gemeente Amsterdam

5.6. Belanghebbende heeft gesteld dat nu de precariobelasting een vergoeding vormt voor het gebruik van de grond, de waarde van de grond als maatstaf zou moeten gelden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gemeente de grond waarboven de woonboot zich bevindt, in 2005 heeft gekocht voor een bedrag van € 1,00 per m2.
Hieromtrent overweegt het Hof als volgt. De precariobelasting moet worden aangemerkt als een belasting. Dat brengt met zich mee dat er geen relatie behoeft te zijn tussen de waarde van de grond en de hoogte van het tarief van de precariobelasting.
De gemeentelijke wetgever is in beginsel vrij om binnen de uit de wet voortvloeiende beperkingen de tarieven van de gemeentelijke heffingen vast te stellen, mits dit niet leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Naar het oordeel van het Hof voldoet de tarieventabel 2010 aan die voorwaarde. Daaraan doet niet af dat anderen dan belanghebbende – zolang zijn woonboot niet van ligplaats verandert – de onderhavige grond niet kunnen gebruiken.
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in overweging 4.25 met juistheid heeft geoordeeld dat er geen sprake is van willekeurige of onredelijke tarieven en maakt de daartoe gebezigde overwegingen tot de zijne. Deze grief kan derhalve niet tot vermindering of vernietiging van de aanslag leiden.
Gerechtshof Amsterdam 24-04-2014, nr. 12/00457. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 07-11-2014, nr. 14/03076.

Precariobelasting 2011 gemeente Utrecht

6.2.1. Gelet op wat hiervoor onder 5.3 is overwogen, belet de regeling van het belastingtijdvak in artikel 7 van de Verordening in samenhang met paragraaf 5 van de tarieventabel niet, de precariobelasting te berekenen over meer dan één dag, week of maand. De Ambtenaar heeft zijn aanvankelijk andersluidende opvatting ter zitting van het Hof terecht desgevraagd prijsgegeven. Aldus opgevat, kan dat artikel 7 niet gezegd worden te moeten leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Het ontbreken van een aan artikel 9, leden 2 en 3, analoge regeling voor een in de loop van het seizoen aanvangende of eindigende belastingplicht offert het belang van belastingplichtigen bij heffing naar tijdsevenredigheid niet op onaanvaardbare wijze op aan de eisen van uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de Verordening. Gelijke behandeling van ongelijke gevallen is binnen de tariefopbouw voor terrassen in paragraaf 5 van de Tarieventabel toelaatbaar. Die tariefopbouw is zodanig, dat het weektarief voordeliger is dan viermaal het dagtarief, het maandtarief gelijk aan driemaal het weektarief en het seizoentarief gelijk aan zesmaal het maandtarief. Gesteld noch gebleken is dat binnen die periode tengevolge van evenementen op de a-straat belanghebbende langer dan één maand, of binnen de kalendermaanden in die periode langer dan negen achtereenvolgende dagen, verstoken is geweest van de feitelijke exploitatie van haar terras op dat plein. Voor zover belanghebbende zich op het evenredigheidsbeginsel beroept, kan dit haar dus niet baten.
6.2.2. Voor het overige staan de opbouw en de hoogte van het tarief van de belasting op zichzelf niet aan de belastingrechter ter beoordeling. Dat is slechts anders indien sprake is van strijd met de wet, een verdrag of enig algemeen rechtsbeginsel, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2011, nr. 10/01247, LJN: BP1510, BNB 2011/285*. Een zodanige strijd doet zich echter in het onderhavige geval niet voor.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-06-2013, nr. 12-00502

Precariobelasting 2010 gemeente Helmond

4.9. De Heffingsambtenaar stelt dat uitgaande van het belastbare feit ingevolge artikel 2, lid 1, van de Verordening het heffen van de toeslag ten behoeve van promotiedoeleinden ingevolge artikel 4, lid 1, onderdeel e, van de Verordening is toegestaan omdat sprake is van een autonome tariefsverhoging, inhoudende dat voor de marktdagen van woensdag en zaterdag een extra verhoogd tarief geldt.
4.10. Het Hof verwerpt deze stelling van de Heffingsambtenaar. Uit de stukken van het geding volgt dat een bedrag wordt geheven ter dekking van de kosten van promotieactiviteiten ten behoeve van de Helmondse markten, alsmede dat dit bedrag uitsluitend is verschuldigd door degene die of ten behoeve van wie de in artikel 2 van de Verordening bedoelde voorwerpen op de woensdagse en zaterdagse markt aanwezig zijn.
4.11. Dergelijke promotieactiviteiten vormen feitelijk door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als bedoeld in artikel 229, lid 1, onderdeel b, van de Gemeentewet en moeten apart worden bezien van het belastbare feit voor de marktprecariobelasting, die geheven kan worden op grond van artikel 228 Gemeentewet (vergelijk het arrest Hoge Raad 5 september 2003, nr. 37 747, LJN: AF4838).
4.12. Dit brengt mee dat het op grond van artikel 4, lid 1, aanhef, onderdeel e, van de Verordening geheven bedrag niet kan worden aangemerkt als een verhoging van het tarief van de marktprecariobelasting. Deze verhoging wordt immers geheven voor het, in verband met het innemen van een standplaats op de markt, hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond op de dag, de plaats en gedurende de tijd dat ter plaatse een markt wordt gehouden. Voorts merkt de Verordening het genot van de door de gemeente verstrekte diensten, de promotieactiviteiten, niet aan als belastbaar feit.
4.13. Bijgevolg laat het Hof - in navolging van de Rechtbank - de Verordening, voor zover het tarief ziet op promotiedoeleinden, als onverbindend jegens belanghebbende buiten toepassing.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-03-2013, nr. 12-00119

BELASTINGPLICHTIGE

Precariobelasting 2013 gemeente Muiden (thans Gooise Meren)

2.1.2.De gemeente Muiden heeft op 17 oktober 2013 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2013 aangenomen (hierna: de Verordening). Artikel 3 van de Verordening bepaalt:
"1. Ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, wordt de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.
2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”
2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de Verordening belastingplichtig is voor de precariobelasting.
2.3.1. Tegen het in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het middel. Volgens het middel brengt een grammaticale uitleg van artikel 3 van de Verordening mee dat belanghebbende niet als belastingplichtige voor de precariobelasting kan worden aangemerkt. Op belanghebbende is slechts het eerste lid van artikel 3 van toepassing omdat zij, zij het niet door de Minister, op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet is aangewezen als regionale netbeheerder. Aan toepassing van het tweede lid van artikel 3 wordt dan niet meer toegekomen, omdat geen sprake is van een “ander geval” dan een geval als bedoeld in lid 1. Dat geldt ook indien de gemeentelijke wetgever heeft bedoeld dat het tweede lid van artikel 3 in een geval als dat van belanghebbende wel van toepassing is, omdat er dan een discrepantie is tussen die bedoeling en de tekst van de Verordening, waarbij de tekst voorgaat, aldus het middel.
2.3.2. Het middel faalt. Aan het middel kan worden toegegeven dat de bewoordingen van het eerste lid van artikel 3 van de Verordening alle gevallen lijken te omvatten waarin op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen. In het slot van dat eerste lid is echter alleen de door de Minister aangewezen netbeheerder als belastingplichtige aangemerkt. Daarom moet worden aangenomen dat het niet de bedoeling van de gemeentelijke wetgever is geweest elke (andere) op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet aangewezen netbeheerder onder de werking van het eerste lid te brengen. Dat betekent dat alle gevallen waarin een netbeheerder niet door de Minister is aangewezen, behoren tot de “andere gevallen” bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Anders dan het middel betoogt, verzet de tekst van artikel 3 van de Verordening zich niet tegen een dergelijke lezing. Tussen partijen is dan niet in geschil dat belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt. Het principale beroep in cassatie moet daarom ongegrond worden verklaard.
Hoge Raad 21-09-2018, nr. 17/04883

Precariobelasting 2014 gemeente Voorst

In de Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2014 van de gemeente Voorst van 16 december 2013 (hierna: de Verordening) is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 3 Belastingplicht
1. Ter zake van buizen, kabels, draden, of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, wordt de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.
2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degenen die de buizen kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene die ten behoeve van wie de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
4.3.1. Belanghebbende 1 stelt dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt, omdat zij niet ‘de door de minister aangewezen netbeheerder’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening is. Aan belastingplicht op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening kan volgens belanghebbende 1 ten aanzien van haar niet worden toegekomen, omdat zij op grond van artikel 10, negende lid, Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen, terwijl met ‘alle andere gevallen’ in die bepaling wordt gedoeld op alle gevallen waarin niet op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen.
4.3.2. De heffingsambtenaar heeft – samengevat – betoogd dat artikel 10, tiende lid, en artikel 12, tweede lid, Elektriciteitswet 1998 inhouden dat de Minister dient in te stemmen met de aanwijzing van een lichaam als netbeheerder. De formulering aan het slot van artikel 3, eerste lid, Verordening dient volgens de heffingsambtenaar in deze zin te worden begrepen. Dit volgt ook uit de toelichting op het voorstel dat heeft geleid tot het vaststellen van de Verordening, omdat daarin belanghebbende 1 als de potentiële belastingplichtige is aangemerkt, in de context waarvan belastingplichtigen als netwerkbeheerders zijn aangeduid (zie onder 2.2). Indien zou worden uitgegaan van een enge lezing van artikel 3, eerste lid, Verordening, betoogt de heffingsambtenaar dat belanghebbende 1 ook op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening belastingplichtig is, waarbij dan in aanmerking moet worden genomen dat het belang van belanghebbende 1 als economisch eigenaar van de netwerken het meest op de voorgrond treedt (verg. het arrest BNB 2016/209).
4.3.3.1. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende 1 een ‘door de minister aangewezen netbeheerder’ is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening. Hetgeen omtrent instemming door de Minister is bepaald in de door de heffingsambtenaar vermelde bepalingen uit de Elektriciteitswet 1998 vormt daartoe voldoende onderbouwing.
Bovendien indiceert ook het onder 2.2 aangehaalde stuk dat met ‘de door de minister aangewezen netbeheerder’ in artikel 3, eerste lid, Verordening belanghebbende 1 is bedoeld.
4.3.3.2. Overigens zou ook toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening tot de conclusie leiden dat belanghebbende 1 terecht als belastingplichtige is aangemerkt. De tekst van die bepaling biedt onvoldoende steun voor de lezing van belanghebbende 1, als zou deze uitsluitend betrekking hebben op gevallen waarin niet op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen (terwijl volgens belanghebbende 1 zij wel op grond van artikel 10, negende lid, Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen, zij het niet door de Minister). Naar het oordeel van het Hof heeft artikel 3, tweede lid, Verordening het karakter van een vangnetbepaling, welke erin voorziet dat belanghebbende 1 de belastingplichtige is als degene die de kabels en/of leidingen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, ook in het geval er – strikt genomen – geen aanwijzing als netbeheerder door de Minister zou zijn.
Hof Amsterdam 12-06-2018, nr. 17/00265

Precariobelasting 2016 gemeente Rotterdam

Artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening luidt als volgt:
1. Belastingplichtig voor de precariobelasting is het lichaam dat, of de ondernemer die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel degene ten behoeve van wie één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond worden aangetroffen.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
4. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat op een doek vastgemaakt aan de steigers op de bouwplaats hoek [adres A]/[adres B] de naam van eiseres stond en dat hij ervan uit is gegaan dat eiseres de hoofdaannemer van het project was en daarom de steigers in gebruik had. Aldus is eiseres gezien als degene die voorwerpen op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond had en daarom aangeslagen.
Verweerder heeft zich vervolgens nader op het standpunt gesteld dat thans gebleken is dat eiseres niet de hoofdaannemer was en niet degene was die de steigers gedurende de gehele periode waarvoor de aanslagen zijn opgelegd in gebruik had. De aanslagen precariobelasting zijn onjuist opgelegd. De aanslagen moeten daarom volgens verweerder worden verminderd naar de periode dat eiseres gebruik maakte van de steigers om werkzaamheden uit te voeren.
5. Nu verweerder erkent dat aan eiseres onjuiste aanslagen precariobelasting zijn opgelegd, kunnen deze niet in stand blijven. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid de aanslagen te verminderen zoals verweerder voorstaat, omdat verweerder geen nadere en volgens hem juiste hoogte van de aanslagen kon noemen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op de precariobelasting en de aanslagen precariobelasting vernietigen. Het beroep gericht tegen de aanslagen precariobelasting is gegrond.
(...)
13. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de bezwaarfase geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding.
13.1 Artikel 7:15, tweede lid van de Awb luidt als volgt:
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
13.2 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen zijn herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Verweerder is gehouden om een aanslag precariobelasting aan de juiste rechtspersoon of ondernemer op te leggen. Dat hij dat niet heeft gedaan, is hem te verwijten. Dat bij de steigers een bord stond van eiseres, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat eiseres voor de gehele periode waarvoor de aanslagen zijn opgelegd de steigers op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond hield of om haar als hoofdaannemer van het project te zien, temeer nu de vergunning niet aan eiseres is verleend.
Eiseres heeft daarom ook voor de bezwaarfase recht op een proceskostenvergoeding.
Rechtbank Rotterdam 12-09-2018, nr. 18 _ 1462

Precariobelasting 2011 gemeente Maasdriel

Artikel 3 Belastingplicht
1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Belastingplicht
4.2.1.1. Naar aanleiding van het arrest Naarden heeft belanghebbende gesteld dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt. De heffingsambtenaar had [NV Y] als belastingplichtige moeten aanmerken. Belanghebbende baseert deze stelling op artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening, in samenhang met de verplichting die de (voormalige) gemeenten Ammerzoden, Hedel, Hurwenen en Rossum tegenover [L] zijn aangegaan. Volgens belanghebbende hebben de hiervoor vermelde gemeenten door middel van raadsbesluiten en overeenkomsten, als vermeld in de onderdelen 6 tot en met 11 van de uitspraak van de rechtbank (hierna tezamen: de overeenkomsten) aan [L] een publiekrechtelijke vergunning verleend. Deze vergunning is volgens belanghebbende overgegaan op [NV Y] . Daarvan uitgaande had [NV Y] op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening, als de belastingplichtige moeten worden aangemerkt.
4.2.1.2. In dit verband gaat belanghebbende voorts ervan uit dat [NV Y] , als juridisch eigenaar van de netwerken, degene is die ‘de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft (cursivering Hof)’, zodat het laatste zinsdeel van artikel 3, tweede lid, Verordening niet van toepassing is. Aan de vraag of belanghebbende dan wel [NV Y] degene is die – in termen van het arrest Blaricum (r.o. 2.4.2) – bij de netwerken rechtstreeks belang heeft wordt volgens belanghebbende in de onderhavige zaak niet toegekomen, aangezien volgens haar buiten twijfel is dat de Verordening de vergunninghouder als belastingplichtige aanwijst.
4.2.2.1. De heffingsambtenaar betwist dat er een vergunning is verleend. Hij verstaat onder een vergunning (als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Verordening) een beschikking die op een vergunningstelsel is gebaseerd en waarin voorwaarden voor vergunningverlening zijn opgenomen. Een dergelijke vergunning is door belanghebbende niet overgelegd. Volgens de heffingsambtenaar is noch aan [L] , noch aan [NV Y] als haar rechtsopvolger een (publiekrechtelijke) vergunning verleend. Voorts betwist de heffingsambtenaar dat de rechten en verplichtingen die [L] en de (voormalige) gemeenten zijn aangegaan op [NV Y] zijn overgegaan.
4.2.2.2. Bovendien is volgens de heffingsambtenaar het laatste zinsdeel van artikel 3, tweede lid, Verordening van toepassing, omdat zowel belanghebbende als [NV Y] ‘voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft (cursivering Hof)’. In een dergelijke situatie dient volgens de heffingsambtenaar op grond van het arrest Blaricum doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de vraag wie degene is die bij de netwerken rechtstreeks belang heeft en dat is belanghebbende. Volgens de heffingsambtenaar is belanghebbende dan ook terecht als belastingplichtige aangemerkt.
4.2.3.1. Naar het oordeel van het Hof kan er niet, althans niet zonder meer, van worden uitgegaan dat de door belanghebbende bedoelde vergunning – waarvoor zij verwijst naar de overeenkomsten – een vergunning is als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Verordening. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat aan [L] en haar rechtsopvolger [NV Y] niet een vergunning is verleend als bedoeld in de Verordening, houdt, gelet ook op hetgeen is bepaald in artikel 1, onder c, Verordening, in dat de gestelde vergunning moet zijn opgenomen in een gemeentelijke registratie. Naar het oordeel van het Hof heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om hiervan bewijs te leveren. Dit bewijs is echter niet geleverd.
Voorts volgt het Hof de heffingsambtenaar in zijn stelling dat van een publiekrechtelijke vergunning als bedoeld in artikel 1, onder c, Verordening eerst sprake is indien deze is gebaseerd op een regeling waarin is vermeld waarop deze betrekking heeft, hoe en door wie deze kan worden aangevraagd en aan welke voorwaarden dient te worden voldaan. Het bestaan van een dergelijke regeling is niet aannemelijk geworden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet aannemelijk is geworden dat aan [NV Y] een vergunning is verleend als bedoeld in de Verordening.
4.2.3.2. Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat in 1923, 1930, 1986/1987 aan [L] een (publiekrechtelijke) vergunning is verleend als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, Verordening, volgt hier naar het oordeel van het Hof niet uit dat deze op [NV Y] is overgegaan. Aangezien [NV Y] een andere rechtspersoon is dan [L] , zou er op enig moment een bewilliging en/of bekrachtiging van de zijde van de gemeente(n) nodig zijn geweest om de gestelde overgang van een aan [L] verleende vergunning op [NV Y] te bewerkstelligen. Zoals ook blijkt uit hetgeen belanghebbende in eerste aanleg hierover heeft vermeld, is (zijn) aan de overgang van vermogensbestanddelen van [L] op (uiteindelijk) [NV Y] een (of meerdere) juridische fusie(s) voorafgegaan. Dat houdt in dat bij die gelegenheid (-heden) onder algemene titel vermogensbestanddelen op een verkrijgende vennootschap zijn overgegaan. Die wijze van eigendomsovergang geldt echter niet, althans niet zonder meer, ter zake van de overgang van vermogensbestanddelen die voortvloeien uit publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen van de verdwijnende vennootschap; in het bijzonder, nu niet aannemelijk is geworden dat de destijds aan [L] verleende vergunning objectgebonden zou zijn. Op welke grond – desondanks – de (veronderstelde) vergunning van [L] op (uiteindelijk) [NV Y] is overgegaan is evenwel door belanghebbende niet nader toegelicht en onderbouwd.
4.2.3.3. Voorts en veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat [NV Y] houder is geworden van de door belanghebbende gestelde vergunning, rijst de vraag of het “tenzij” van de laatste volzin van artikel 3, tweede lid, Verordening verhindert dat belanghebbende niet belastingplichtig is. Naar het oordeel van het Hof is (ook) degene die – zoals belanghebbende, naar tussen partijen niet in geschil is – economisch eigenaar is van de netwerken aan te merken als degene die dat voorwerp/die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Voor zover dit laatste ook zou hebben te gelden voor [NV Y] als juridisch eigenaar, acht het Hof – analoog aan het arrest Blaricum (r.o. 2.4.2) – doorslaggevend wie degene is die bij de netwerken een rechtstreeks belang heeft dat uitgaat boven het resterend belang van de juridisch eigenaar. Naar het oordeel van het Hof is dat belanghebbende en is derhalve uitsluitend zij aan te merken als degene die heeft in de zin van het slot van artikel 3, tweede lid, Verordening.
Dit betekent dat, zelfs indien [NV Y] houder zou zijn van een vergunning in de zin van artikel 3, tweede lid, Verordening, het slot van die bepaling het als belastingplichtige kwalificeren van die vergunninghouder verhindert.
4.2.3.4. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de stelling van belanghebbende dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt moet worden verworpen.
Hof Amsterdam 21-09-2017, nr. 16/00533. Belanghebbende heeft tegen dit oordeel cassatie ingesteld, waarover de AG op 11-07-2018 heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring, nr. 17/05138.

Precariobelasting 2014 gemeente Eindhoven

4.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening is belastingplichtig voor de precariobelasting degene die een voorwerp onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Bij de uitleg van deze bepaling dient het begrip ‘een voorwerp heeft’ ruim te worden uitgelegd. Zowel de eigenaar van een onroerende zaak als de huurder kan in beginsel op grond van deze bepaling als belastingplichtige worden aangemerkt. Het Hof is van oordeel dat dit niet anders is in de onderhavige casus. Zowel de eigenaar van de onroerende zaak als de huurder (belanghebbende) heeft de luifel in de zin van deze bepaling en deze luifel bevindt zich boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. In een geval waarin twee of meer personen op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening als belastingplichtige kunnen worden aangemerkt, dient slechts degene van wie het belang op de voorgrond treedt, te worden aangemerkt als belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 7 oktober 1998, nr. 33 553, ECLI:NL:HR:1998:AA2314, BNB 1998/384). Naar het oordeel van het Hof is dat in dit geval belanghebbende, aangezien zij naar het oordeel van het Hof het meeste belang heeft bij deze luifel. De luifel kan immers enerzijds dienen voor het plaatsen van reclameobjecten en anderzijds dienen als bescherming voor het winkelend publiek en uit te stallen objecten tegen neerslag e.d. Dat ook de bewoners van de bovengelegen appartementen een belang hebben, doordat zij door de luifel minder last hebben van het winkelend publiek, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.2. In artikel 3, tweede lid, van de Verordening is een uitzondering opgenomen op het eerste lid. In afwijking van het eerste lid, wordt – indien een vergunning is verleend om voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond te hebben – de vergunninghouder als belastingplichtige aangemerkt, tenzij deze het voorwerp niet heeft in de zin van het eerste lid. Dit roept de vraag op wat voor soort vergunning hier wordt bedoeld.
4.3.1. In de definitiebepaling van artikel 1 van de Verordening staat vermeld dat het moet gaan om een vergunning om voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond te hebben. Dit lijkt te wijzen op een zogenoemde precariovergunning zoals doorgaans is geregeld in een Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). In het geval van de gemeente Eindhoven is een dergelijke vergunning geregeld in artikel 2.1.5.1 van de APV van die gemeente. Vaststaat dat een dergelijke vergunning aan belanghebbende niet is afgegeven.
4.3.2. De Verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Zowel de definitie van het begrip ‘vergunning’ in artikel 1 als artikel 3 van de Verordening zijn gelijkluidend aan de tekst van de modelverordening. In de toelichting op de modelverordening is het volgende opgemerkt:
“In verband met een doelmatige uitvoering wordt in de modelverordening namelijk zoveel mogelijk aangesloten bij een door de gemeente verleende vergunning (zie de artikel 3, tweede lid, 6, vierde lid, 7, eerste lid, en 9, eerste lid). Het gaat er dan om dat een door de gemeente verleende toestemming om voorwerpen te hebben onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond in een gemeenschappelijke registratie is opgenomen. Dit betekent dat het moet gaan om een samenhangende verzameling van vergunningen, ontheffingen, instemmingen met meldingen en dergelijke, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raapleging van deze gegevens systematisch aangelegd. Te denken valt hierbij aan vergunningen of ontheffingen op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV), bouwvergunningen, meldingen en dergelijke. De gekozen begripsomschrijving omvat al deze toestemmingen.”
Ook bij de toelichting op artikel 3 wordt gesproken over “zowel bouw- als APV-vergunningen”.
4.3.3. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat – gelet op de toelichting op de modelverordening – een verleende bouwvergunning waarin is toegestemd met de bouw van een luifel, zoals hier aan de orde, is aan te merken als een vergunning als bedoeld in de Verordening. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente Eindhoven een andere definitie heeft beoogd dan de definitie die is opgenomen in de modelverordening.
4.4. In het onderhavige geval is aan de toenmalige eigenaar in 1973 een vergunning verleend voor de bouw van de onroerende zaak. Op de bouwtekeningen staat de luifel reeds aangegeven, zodat de vergunning mede de luifel omvat. In dit verband is tevens van belang dat de welstandscommissie uitdrukkelijk melding maakt van de luifel en voorts dat in de verleende vergunning expliciet wordt opgemerkt dat de rooilijn gedeeltelijk wordt overschreden.
4.5. De Heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat de verleende bouwvergunning geen rechtskracht meer heeft, omdat na de bouw van de onroerende zaak de vergunning is uitgewerkt. Het Hof verwerpt deze stelling. De vergunning gaf de toenmalige eigenaar de bevoegdheid om de luifel te plaatsen en vormt de legitimatie voor de aanwezigheid van de luifel aan het gebouw ook in het onderhavige jaar.
4.6. De huidige eigenaar is de rechtsopvolger van degene aan wie de bouwvergunning is verleend. Dit betekent dat op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening de huidige eigenaar belastingplichtig is, tenzij hij de luifel niet heeft in de zin van deze bepaling. Zoals het Hof onder 4.1 reeds heeft overwogen kan ook ten aanzien van de eigenaar van de onroerende zaak worden gezegd dat hij de luifel heeft in de zin van deze bepaling.
4.7. Het vorenstaande brengt mee dat de eigenaar belastingplichtig is op grond van het tweede lid van artikel 3 van de Verordening. Aangezien deze bepaling voorgaat boven het eerste lid, is niet relevant wiens belang op de voorgrond treedt. Op grond van het tweede lid kan immers alleen de vergunninghouder of diens rechtsopvolger als belastingplichtige aangemerkt worden.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-01-2017, nr. 15/01246

Precariobelasting 2013 gemeente Muiden (thans Gooise Meren)

2.4.2. In de Verordening is onder meer het volgende vermeld:
Artikel 3 Belastingplicht
1. Ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, wordt de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.
2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”
4.2. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, beroepen op de volgende gronden. De in 4.2.1 en 4.2.3 vermelde gronden zijn voor het eerst in hoger beroep aangevoerd:
4.2.1. Belanghebbende kan op grond van de Verordening niet als belastingplichtige worden aangemerkt.
4.4.1. Wat beroepsgrond 4.2.1 betreft volgt het Hof belanghebbende in haar stelling dat zij op grond van lid 1 van artikel 3 van de Verordening niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt; zij is immers – naar tussen partijen niet in geschil is – niet een ‘door de minister aangewezen netbeheerder’. Het Hof kan belanghebbende echter niet volgen in haar stelling dat alsdan niet aan lid 2 wordt toegekomen. Uitgaande van de kennelijke bedoeling van de gemeentelijke wetgever, zoals die mede blijkt uit de (toelichting op) het door de heffingsambtenaar overgelegde voorstel van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Muiden tot invoering van het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen, moet lid 1 redelijkerwijs worden begrepen als een bepaling die heffing mogelijk maakt van de ingevolge de Gaswet of de Elektriciteitswet door de minister aangewezen (landelijke) netbeheerders, en kunnen regionale netbeheerders zoals belanghebbende worden begrepen onder de ‘andere gevallen’ van lid 2, mits zij overigens voldoen aan de in dat artikellid voor belastingplicht gestelde eisen. Dat laatste is bij belanghebbende het geval nu zij als economisch eigenaar van de netwerken – de nutsleidingen ‘heeft’ in de zin van dat artikellid.
Hof Amsterdam 05-09-2017, nr. 16/00529. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 21-09-2018, nr. 17/04883.

Precariobelasting 2011 gemeente Blaricum

2.4.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het zojuist bedoelde ‘meer meer subsidiaire’ standpunt belanghebbende niet kan baten. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat belanghebbende als beheerder en economische eigenaar van het elektriciteits- en gasnetwerk gerechtigd is tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van die netwerken, met uitzondering van het recht op levering, en gehouden is om alle verplichtingen ten aanzien van die netwerken voor haar rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan daarvan te dragen. Dit een en ander laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende bij uitstek degene is die bij die netwerken rechtstreeks belang heeft, welk belang uitgaat boven het resterend belang van de juridische eigenaren (vgl. HR 4 maart 1992, nr. 27819, ECLI:NL:HR:1992:ZC4911, BNB 1992/166). Belanghebbende is derhalve - mede gelet op de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet - terecht als de belastingplichtige aangemerkt. Hieruit volgt tevens dat de heffingsambtenaar, anders dan het middel veronderstelt, geen keuzemogelijkheid had bij de aanwijzing van de belastingplichtige. De in het middel opgeworpen vraag of de heffingsambtenaar bij het maken van die keuze de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, komt daarom niet aan de orde.
Hoge Raad 24-06-2016, nr. 14/05718

Precariobelasting 2011 en 2012 gemeente Haarlem

4.1.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat de aanslag niet aan haar, een vof, kan worden opgelegd. Uit de tekst van de Verordeningen Precariobelasting, en dan met name artikel 3, tweede lid en artikel 1, aanhef en onderdeel g, blijkt dat de aanslag alleen aan personen, dat wil zeggen natuurlijke en rechtspersonen, kan worden opgelegd. Belanghebbende is een vof en derhalve geen van beide. Zij kan, zo begrijpt het Hof haar stelling, niet belastingplichtig zijn voor de heffing van precariobelasting.
4.1.3. De heffingsambtenaar stelt dat uit de bepalingen van de Verordeningen Precariobelasting volgt dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Artikel 3, tweede lid, van die verordeningen bepaalt dat precariobelasting wordt geheven van degene aan wie de vergunning is verleend voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Dat kan ook een vof zijn. De verwijzing in de definitie van de term ‘vergunning’, in artikel 1, onderdeel g, naar een ‘persoon’ maakt daarbij niet uit. Er kan geen misverstand over bestaan dat het belanghebbende is aan wie de vergunning is verleend.
4.1.4. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van aan onjuiste tenaamstelling van de aanslag. Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Verordeningen Precariobelasting wordt de aanslag opgelegd aan degene aan wie de vergunning is verleend. Niet in geschil is dat de vergunning is verleend aan belanghebbende. De aanslag is derhalve terecht aan belanghebbende opgelegd. De redenering van belanghebbende dat de term ‘degene’ in artikel 3, eerste lid, van de Verordeningen Precariobelasting impliceert dat de aanslag uitsluitend opgelegd kan worden aan natuurlijke personen of rechtspersonen wordt door het Hof verworpen, mede omdat in artikel 3, tweede lid, van die verordeningen ‘degene aan wie de vergunning is verleend’ – te weten [handelsnaam], onder welke handelsnaam belanghebbende haar onderneming drijft – is aangemerkt als ‘degene’ bedoeld in artikel 3, eerste lid. De omstandigheid dat de term ‘persoon’ wordt genoemd in de definitie van vergunning (art. 1, aanhef en onderdeel g van de Verordeningen Precariobelasting) brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt in dit oordeel de uitspraak van de rechtbank, behoudens de verwijzing naar artikel 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen, omdat de daarin opgenomen bepaling van de term ‘lichaam’ voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang is.
Gerechtshof Amsterdam 10-03-2016, nrs. 14/00768 tot en met 14/00771

Precariobelasting 2012 gemeente Haarlemmermeer

4.3.2.3. Voor het geval belanghebbende niet rechtstreeks een recht kan ontlenen aan de Regeling stelt belanghebbende subsidiair dat het fair play beginsel is geschonden. In dat verband wijst zij op artikel 3, eerste lid, van de Verordening waarin het volgende is bepaald: “De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen, onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”
Belanghebbende stelt dat in deze bepaling een keuzemogelijkheid is begrepen en dat de heffingsambtenaar bij het maken van die keuze gebonden is aan beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van fair play. Door juist van belanghebbende precariobelasting te heffen en niet van [A], in de wetenschap dat [A] rechtsopvolger is van [B 2], met wie de Regeling is aangegaan, en zich daarbij op het standpunt stellend dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met het beginsel van fair play. Bovendien treedt in dit verband [A], als (rechtsopvolger van de) partij die rechtstreeks bij de Regeling betrokken is, het meest op de voorgrond, zodat het het meest voor de hand lag om [A] in de heffing te betrekken.
4.3.3. (…) Van schending van het fair play beginsel is volgens de heffingsambtenaar geen sprake, omdat belanghebbende als netbeheerder en economisch eigenaar degene is ten behoeve van wie de leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Als zodanig heeft zij een rechtstreeks belang bij het netwerk. Zij is degene die naar buiten treedt en heeft het grootste belang.
4.3.4.2. Naar het oordeel van het Hof is ook geen sprake van schending van het beginsel van fair play dan wel – voor zover belanghebbende dat heeft bedoeld – het verbod van willekeur. Aangezien belanghebbende netbeheerder is, economische eigenaar van het netwerk en omdat zij degene is die naar buiten treedt, heeft de heffingsambtenaar belanghebbende in redelijkheid als de belastingplichtige kunnen aanwijzen.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00573

Precariobelasting 2013 gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude

4.3.2.3. Voor het geval belanghebbende niet rechtstreeks een recht kan ontlenen aan de Regeling stelt belanghebbende subsidiair dat het fair play beginsel is geschonden. In dat verband wijst zij op artikel 3, eerste lid, van de Verordening waarin het volgende is bepaald:
“De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen, onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”
Belanghebbende stelt dat in deze bepaling een keuzemogelijkheid is begrepen en dat de heffingsambtenaar bij het maken van die keuze gebonden is aan beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van fair play. Door juist van belanghebbende precariobelasting te heffen en niet van [A N.V.], in de wetenschap dat [A N.V.] rechtsopvolger is van [C] met wie de Regeling is aangegaan, en zich daarbij op het standpunt stellend dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met het beginsel van fair play. Bovendien treedt in dit verband [A N.V.], als (rechtsopvolger van de) partij die rechtstreeks bij de Regeling betrokken is, het meest op de voorgrond, zodat het het meest voor de hand lag om [A N.V.] in de heffing te betrekken.
4.3.3. (…) Van schending van het fair play beginsel is volgens de heffingsambtenaar geen sprake, omdat belanghebbende als netbeheerder en economisch eigenaar degene is ten behoeve van wie de leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn; zij heeft het grootste belang.
4.3.4.2. Naar het oordeel van het Hof is ook geen sprake van het beginsel van fair play dan wel – voor zover belanghebbende dat heeft bedoeld – het verbod van willekeur, omdat de heffingsambtenaar belanghebbende als netbeheerder en economische eigenaar van het netwerk in redelijkheid als de belastingplichtige heeft kunnen aanwijzen.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00560

Precariobelasting 2014 gemeente Eindhoven

1. Eiseres huurt het pand [adres] en exploiteert daarin een drogisterijwinkel. Het pand betreft het hoekpand op de begane grond van een gebouw met vier bouwlagen. Aan het pand zit aan de voorzijde en aan de rechterzijde, over een diepte van ongeveer twee meter boven openbaar gebied, een gebouwde luifel. Aan eiseres is op 31 januari 2014 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd tot een bedrag van € 3.215,60. Het gedeelte ten aanzien van de precariobelasting bedroeg € 2.512,50, waarvan een bedrag van € 2.275,50 betrekking had op de luifel. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag precariobelasting verminderd tot een bedrag van € 2.151,80. Het bedrag inzake precariobelasting ten aanzien van de luifel is verminderd met € 184,50 vanwege een gewijzigde oppervlaktemaat (102 m² in plaats van 111 m²).
2. In geschil is de vraag of de aanslag precariobelasting ten aanzien van de luifel terecht is opgelegd aan eiseres als belastingplichtige.
3. Ingevolge artikel 228 van de Gemeentewet kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, een precariobelasting worden geheven.
4. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van de precariobelasting 2014 (Verordening 2014) wordt de precariobelasting geheven van degene die het voorwerp of voorwerpen onder, op of boven de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
5. Volgens het tweede lid van artikel 3 van de Verordening 2014 wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat de redactie van artikel 3, eerste en tweede lid van de Verordening 2014 laat zien dat het twee, elkaar uitsluitende, situaties betreft en dat er derhalve geen vrije keuze is voor het bevoegd gezag om de belastingplicht te baseren op het eerste lid dan wel op het tweede lid van artikel 3 van de Verordening 2014. Artikel 3, tweede lid, van de Verordening 2014 is in weerwil van hetgeen daarover in de bestreden uitspraak is geschreven, niet geformuleerd als een “kan”-bepaling, maar als een bepaling met een verplichtend karakter. Hieruit vloeit voort dat er geen vrije keus is voor het bevoegd gezag om de belastingplichtige zelf te kiezen. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2009 (ECLI:NL:RBAMS:2009:BM3356). Volgens de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 december 2009 (ECLI:NL:GHSGR: 2009:BL4296) is er geen ruimte voor het bevoegd gezag voor een afweging over wie het grootste belang heeft bij de aanwezigheid van een belastingplichtig object boven de gemeentegrond. Eiseres huurt slechts een winkel op de begane grond. Zij heeft slechts een beperkt recht op dit pand, waardoor zij niet een luifel boven gemeentegrond heeft. Het tweede deel van het eerste lid, waarin staat dat belastingplichtig is degene ten behoeve van wie de voorwerpen aanwezig zijn, moet dus niet zo worden uitgelegd dat het een afweging inhoudt over wie het grootste belang heeft bij de aanwezigheid van de luifel.
7. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak (zie onder andere de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 12 juni 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB2954) alsmede gelet op de toelichting bij de Verordening 2014 de term "hebben" voor de precariobelasting ruim dient te worden geïnterpreteerd. Daaronder wordt niet alleen verstaan het hebben als eigenaar doch ook het hebben als huurder of direct belanghebbende (Hoge Raad 7 oktober 1998, nr. 33.553, VN 1998/50.38). Nu de luifel zich bevindt boven het door eiseres gehuurde pand en zij de luifel - mede gelet op het feit dat door haar op de luifel tevens een reclamebord is geplaatst - gebruikt, is zij naar het oordeel van de rechtbank door verweerder terecht op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2014 als belastingplichtige aangemerkt.
8. Anders dan in de jurisprudentie waarnaar eiseres verwijst doet zich hier de situatie, als bedoeld in het tweede lid van artikel 3 van de Verordening 2014, naar het oordeel van de rechtbank niet voor. In het geval van eiseres is immers geen derde aanwijsbaar aan wie een vergunning ter zake van het hebben van de luifel boven gemeentegrond is verleend. In het midden kan daarbij blijven of het college van burgemeester en wethouders bij de toetsing destijds van de aanvraag voor de bouwvergunning in 1973 een afweging had moeten maken over de toelaatbaarheid van de luifel boven de gemeentegrond, en naast de bouwvergunning tevens een vergunning op dit punt had dienen te worden verleend. Deze vraag is voor de toepassing van artikel 3 van de Verordening 2014 naar het oordeel van de rechtbank niet relevant en laat onverlet verweerders bevoegdheid de belastingplicht met toepassing van artikel 3 van de Verordening 2014 vast te stellen.
Rechtbank Oost-Brabant 12-10-2015, nr. 15_590

GEDOOGPLICHT

Schadevergoedingsregeling verlegging kabels en leidingen buiten beheergebied van de Provincie Noord-Holland

5.1 Eiseres betoogt dat het in de Schadevergoedingsregeling neergelegde beleid inzake vergoeding van kosten die zijn gemaakt wegens het verleggen van kabels en leidingen binnen beheergebied onredelijk is. Niet deugdelijk is gemotiveerd volgens eiseres waarom er met het uitgangspunt “leggen/liggen om niet en verleggen om niet” voor is gekozen het verleggen van alle soorten kabels en leidingen, zowel de langsliggende als de kruisende, op voorhand uit te sluiten van het recht op nadeelcompensatie als deze kabels en leidingen zijn gelegd op basis van een algemene vergunning. Het kan niet zo zijn dat een bepaalde categorie kabels en leidingen op voorhand systematisch van nadeelcompensatie wordt uitgesloten. In de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwerken 1999 (NKL 1999), waarvan de Schadevergoedingsregeling inhoudelijk is afgeleid, is, net als in den lande, wel een onderscheid gemaakt tussen dit soort kabels.
5.2 Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II de keuze voor het uitgangspunt “leggen/liggen om niet en verleggen om niet” zoals dat is neergelegd in de Schadevergoedingsregeling uiteengezet. Volgens verweerder volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1440, dat voornoemd uitgangspunt ter bepaling van nadeelcompensatie gehanteerd kan worden. De Afdeling heeft, aldus verweerder, het uitgangspunt niet onredelijk bevonden en heeft het uitgangspunt evenmin in strijd met het evenredigheidsbeginsel als opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geacht. Volgens verweerder ligt in het uitgangspunt een belangafweging besloten. Het belang van verweerder is op basis van zijn publieke taak gelegen in het beheersbaar houden van de maatschappelijke kosten voor de aanleg of reconstructie van provinciale wegen. De kosten voor het verleggen van kabels en leidingen moeten in verhouding staan tot de kosten van de aanleg en reconstructie van een weg. Het belang van kabel- en leidingexploitanten als eiseres is erin gelegen op een zo efficiënt mogelijke manier en tegen zo laag mogelijke kosten te exploiteren. Het uitgangspunt brengt met zich dat de kabelexploitant geen precariorechten of andere rechten verschuldigd is voor het leggen/liggen. Daartegenover staat dat verweerder geen kosten voor het verleggen betaalt. Deze kostenverdeling leidt volgens verweerder tot een voorspelbaar beeld met een kostenbesparend effect voor beide partijen.
5.3 De rechtbank stelt voorop dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij het op basis van artikel 4:81, eerste lid, van de Awb vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de hem toekomende bevoegdheid te beslissen op verzoeken om nadeelcompensatie. Hieruit vloeit voort dat de bestuursrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen.
5.4 De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het in de Schadevergoedingsregeling opgenomen uitgangspunt “leggen/liggen om niet en verleggen om niet” onredelijk is. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.
De Afdeling heeft in genoemde uitspraak van 27 augustus 2003 reeds geoordeeld dat het uitgangspunt als zodanig niet onredelijk is. Ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling bestond de NKL 1999 al. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank, gelet op diens beleidsvrijheid, niet gehouden de inhoud van de NKL 1999 integraal over te nemen in de Schadevergoedingsregeling, ook al heeft de NKL 1999 daarvoor als uitgangspunt gediend.
Voorts heeft verweerder met diens onder 5.2 weergegeven uiteenzetting naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom voor het uitgangspunt is gekozen.
5.5 Het betoog van eiseres slaagt niet.
Rechtbank Noord-Holland 04-09-2018, nrs. HAA 17/2866 en HAA 17/2867

Precariobelasting 2015 gemeeente Rotterdam

2. Eiseres heeft in 2015 in opdracht van [stichting] (de Stichting) een horecapaviljoen met terras gebouwd ([paviljoen]) waarvoor een bouwplaats is ingericht.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf te voorzien en gaat uit van de volgende vaststaande feiten:
¦ Op 5 februari 2015 heeft de [persoon 3] een bouwplaatsvergunning verleend aan ‘[handelsnaam 2]’ ter plaatse van ‘[adres]’ te [plaats] voor de periode van maandag 9 februari 2015 tot en met donderdag 30 april 2015. Vóór 9 februari 2015 is er geen bouwplaats en/of bouwactiviteit geweest.
¦ Op 16 juli 2015 heeft de gemeente [plaats] (met terugwerkende kracht) in erfpacht aan de Stichting uitgegeven “de grond gelegen in het [adres] te [plaats] (..) aan de Stichting statutair gevestigd te [plaats], voor een duur van vijfentwintig jaar verminderd met de periode vanaf 1 februari 2015 tot heden en eindigt op 31 januari 2040.”
¦ In artikel 6, eerste lid, van de notariële akte is het volgende bepaald:
1. erfpachter is verplicht op de Onroerende Zaak:
a. circa één honderd vijf en dertig vierkante meter (135 m²) bruto vloeroppervlakte horecaruimte (een horecapaviljoen); en
b. circa twee honderd en acht vierkante meter (208 m²) onbebouwd terras op maaiveld, te bouwen casu quo aan te leggen overeenkomstig het bij de Gemeente onder dossiernummer OMV.14.02.00465 ingeschreven bouwplan waarvoor op twee juni tweeduizend veertien en dossiernummer OMV 14.03.00340/mk ingeschreven bouwplan waarvoor op drie juli tweeduizend veertien de omgevingsvergunning is verleend.
¦ De bouwplaats bevindt zich op erfpachtgrond van de Stichting.
5. Eiseres stelt dat zij ten onrechte is aangeslagen voor precariobelasting over voornoemde periode nu zij in opdracht van de Stichting werkzaam was en deze Stichting niet belastingplichtig was.
6. Verweerder meent dat eiseres gehouden is de belasting te betalen nu zij voldeed aan de voorwaarden voor het heffen van precariobelasting.
7. De stelling van eiseres slaagt.
7.1 Op grond van artikel 228 van de Gemeentewet kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een precariobelasting worden geheven. De gemeenteraad van [plaats] heeft op grond daarvan op 6 en 11 maart 2014 de Verordening precario- en reclamebelasting 2015 (de verordening) vastgesteld. Deze bevat de volgende voor de beoordeling van het geschil relevante bepalingen:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
n. bouwplaats: geheel van voorwerpen dat zich bevindt op een locatie waar civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht;
o. bouwplaatsvergunning: besluit waarbij van gemeentewege aan de belastingplichtige vergunning wordt verleend tot het hebben van een bouwplaats op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.
Artikel 2 Belastbare feiten
Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening.
Artikel 3 Belastingplicht
1. Belastingplichtig voor de precariobelasting is het lichaam dat of de ondernemer die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel degene ten behoeve van wie één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond worden aangetroffen.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
7.2 Kenmerk van de precariobelasting is dat de bevoegdheid tot heffen daarvan pas bestaat wanneer de gemeente bevoegd is om als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond te verbieden en dat de heffingsambtenaar geen precariobelasting kan heffen wanneer de gemeente als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, verplicht is het hebben van voorwerpen, op of boven gemeentegrond toe te laten. Wanneer de gemeente bijvoorbeeld een huurovereenkomst heeft gesloten met of, zoals in dit geval, erfpacht heeft verleend aan degene die het voorwerp onder, op of boven gemeentegrond heeft, is de gemeente in privaatrechtelijke zin verplicht om dat voorwerp onder, op of boven gemeentegrond toe te staan en kan er geen precariobelasting meer worden geheven (zie hiervoor de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:280).
7.3 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij ten opzichte van de Stichting zonder voorbehoud het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond gedoogt en haar gedurende de periode van erfpacht, geen precariobelasting zal opleggen.
Nu verweerder de gedoogplicht in het kader van de erfpacht, ten aanzien van de Stichting erkent, bevestigt hij daarmee dat de gemeente in privaatrechtelijke zin gehouden is voorwerpen op voornoemd perceel, gelegen op gemeentegrond, te gedogen.
7.4 Op grond van artikel 6 van de notariële akte, zoals hiervoor vermeld, heeft de Stichting de verplichting een horecapaviljoen met terras te realiseren. Ter uitvoering van de verplichting heeft de Stichting eiseres opdracht gegeven het paviljoen met terras te bouwen.
7.5 De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten onrechte is aangeslagen voor precariobelasting over de periode 9 februari 2015 tot en met 25 april 2015. De onder 7.3 omschreven gedoogplicht ten aanzien van de Stichting, geldt eveneens ten aanzien van eiseres. Eiseres heeft immers in opdracht van de Stichting uitvoering gegeven aan de door de gemeente aan de Stichting opgelegde verplichting tot de bouw van een horecapaviljoen met terras.
Rechtbank Rotterdam 01-09-2017, nr. 17/442

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

Recht van opstal / gedoogplicht
5.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [G] N.V. en [H] N.V. de juridische eigenaar van de netwerken zijn die in het verleden eigendom waren van N.V. [E] . Volgens belanghebbende heeft [G] N.V., mede op grond van artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst, het recht om een recht van opstal te vestigen op het gas- en elektriciteitsnetwerk. Indien ten behoeve van [G] N.V. een dergelijk (zakelijk) recht van opstal wordt gevestigd, verkrijgt die vennootschap een ‘ligrecht’ en leidt dat voor de gemeente tot een gedoogplicht die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat, aldus belanghebbende.
In dit verband stelt belanghebbende zich op het standpunt dat artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst met een daadwerkelijk gevestigd recht van opstal gelijk kan worden gesteld. Het zakenrechtelijke karakter van het opstalrecht voorziet er volgens belanghebbende in dat de vestiging van dat recht – dan wel (zie hierna onder 5.5.2) een daarmee gelijk te stellen situatie – tot een gedoogplicht leidt (als bedoeld in de laatste volzin van r.o. 2.5.4 van het arrest) en waar belanghebbende zich op kan beroepen, ook als zij verbintenisrechtelijk geen rechten aan de overeenkomsten kan ontlenen.
5.4.2. Voorts betoogt belanghebbende dat met de brief van belanghebbende aan de gemeente van 30 augustus 2016 in samenhang met een in artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst begrepen medewerkingsverplichting voor de gemeente, een rechtsverhouding is ontstaan die, bezien ook in samenhang met het onder 2.3 aangehaalde onderdeel C van de Infrastructuurovereenkomst, zodanig beheerst wordt door de redelijkheid en billijkheid, dat de aldus ontstane rechtsverhouding eveneens tot een gedoogplicht leidt als bedoeld in r.o. 2.5.4, laatste volzin, van het arrest. Belanghebbende spreekt in dit verband van een ‘onderhandelingsfase’ en zij acht het niet geoorloofd om in die fase nog precariobelasting te heffen.
5.4.3. Aangezien op artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst ook een beroep is gedaan voorafgaand aan het arrest, verzet de aard van het geding na verwijzing zich er niet tegen dat in dat verband een beroep wordt gedaan op voormelde brief van 30 augustus 2016, aldus belanghebbende.
5.4.4. Volgens de heffingsambtenaar faalt het beroep van belanghebbende op artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst onder meer, omdat het in die bepaling vermelde recht van opstal niet is gevestigd. De heffingsambtenaar verwijst in dit verband voorts naar de onder 2.5 en 2.6 aangehaalde briefwisseling en betwist dat van een door de ‘redelijkheid en billijkheid’ beheerste rechtsverhouding sprake is, waaruit voor de gemeente een gedoogplicht zou voortvloeien. Bovendien, zo al van een dergelijke rechtsverhouding sprake zou zijn, dan zou deze niet met terugwerkende kracht kunnen bewerkstelligen dat de in geschil zijnde voorlopige aanslag 2012 niet is toegestaan. Van een gedoogplicht was voor dat jaar hoe dan ook nog geen sprake, aldus de heffingsambtenaar.
5.4.5. Tevens heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat de in artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst opgenomen mogelijkheid om een zakelijk recht te vestigen dat aan de heffing van precariobelasting in de weg zou staan, zich niet verdraagt met de in artikel 11.2 van de Koopovereenkomst onderkende mogelijkheid van het heffen van precariobelasting. In dat verband wijst de heffingsambtenaar erop dat in artikel 6.1 van de Verkoopovereenkomst is bepaald dat bij strijdigheid tussen de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst, de bepalingen van de Koopovereenkomst voorrang zullen hebben. Hieruit leidt de heffingsambtenaar af dat de eventuele vestiging van een zakelijk recht niet aan de heffing van precariobelasting in de weg kan staan.
Daar komt bij dat artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst, naar het Hof de heffingsambtenaar begrijpt, geen functie meer heeft, omdat deze bepaling destijds onzekerheid omtrent het recht op eigendom van een netwerk als achtergrond had.
Aan deze onzekerheid is volgens de heffingsambtenaar een definitief einde gekomen met de inwerkingtreding (met ingang van 1 februari 2007) van artikel 5:20, tweede lid, BW, Stb. 2007, nr. 16. De vestiging van een zakelijk recht van opstal is dan niet meer nodig.
5.4.6. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat een recht van opstal is gevestigd als bedoeld in artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst. Voorts kan artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst, zonder dat aan die bepaling – zoals daarin is voorzien – door de vestiging van een recht van opstal uitvoering is gegeven, niet met een recht van opstal gelijk worden gesteld. Evenmin volgt uit artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst, al dan niet uitgelegd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en in samenhang met hetgeen is vermeld in considerans C van de Infrastructuurovereenkomst, dat er – zonder dat aan die bepaling uitvoering is gegeven – overigens een rechtsverhouding is ontstaan die met een recht van opstal kan worden gelijkgesteld.
Een en ander nog daargelaten dat, zo al het hiervoor bedoelde recht van opstal op grond van de brief van belanghebbende van 14 oktober 2016 – in samenhang met hetgeen is vermeld in considerans C van de Infrastructuurovereenkomst en beoordeeld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – zou zijn gevestigd dan wel de door belanghebbende bedoelde rechtsverhouding tot stand zou zijn gekomen, niet aannemelijk is gemaakt op grond waarvan deze rechtsverhouding alsdan reeds voor het jaar 2012 zou hebben te gelden en de voor het jaar 2012 opgelegde voorlopige aanslag precariobelasting daarmee (met terugwerkende kracht) in strijd zou zijn.
5.4.7. Naar het oordeel van het Hof geldt hetgeen in r.o. 2.5.4 van het arrest is overwogen met betrekking tot artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst tevens met betrekking tot artikel 1 van de Regeling (zo al daaraan door belanghebbende rechten zijn te ontlenen). Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat artikel 1 van de Regeling ter zake van het elektriciteitsnetwerk een contractuele gedoogplicht inhoudt als bedoeld in r.o. 2.5.4 (laatste volzin) van het arrest, verwerpt het Hof deze stelling, omdat artikel 1 van de Regeling, naar het Hof deze begrijpt, is gebaseerd op het gebruik van een destijds aan de gemeente toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid. Dat de Regeling een overeenkomst inhield als bedoeld in de laatste volzin van artikel 2.5.4 van het arrest is naar het oordeel van het Hof, gelet ook op de omstandigheid dat [D] destijds een provinciale ‘tak van dienst’ was, niet aannemelijk geworden.
Gerechtshof Amsterdam 21-03-2017, nr. 16/00289. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 05-01-2018, nr. 17/02184. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 05-01-2018, nr. 17/02184.

Precariobelasting 2011 gemeente Blaricum

2.3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes dochtermaatschappijen [A] en [B] de rechtsopvolgers zijn van de rechtspersonen met wie de gemeente in het verleden overeenkomsten heeft gesloten inzake het gas- en elektriciteitsnetwerk. Aangezien de aan die overeenkomsten te ontlenen rechten niet aan belanghebbende zijn overgedragen, kan belanghebbende daarop geen beroep doen. De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet en de bij de totstandkoming van die wetten gegeven toelichtingen hebben de overgang van die rechten evenmin bewerkstelligd, aldus het Hof. Tegen dit oordeel richt zich het primaire middel.
2.3.2. Dit middel faalt. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Hoge Raad 24-06-2016, nr. 14/05718

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

2.4.2. De klacht houdt allereerst in dat de in 1999 gesloten overeenkomsten, naar tussen partijen niet in geschil was, enkel betrekking hadden op het gasnetwerk, omdat het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Naarden toen niet door N.V. [F] maar door [D] werd geëxploiteerd.
2.4.3. De klacht houdt voorts onder meer in dat belanghebbende niet als wederpartij van de gemeente(n) is aan te merken bij de in 1999 gesloten Koopovereenkomst en Infrastructuurovereenkomst. Niet belanghebbende maar haar dochtervennootschappen [I] N.V. en [J] N.V. zijn als juridische eigenaren van het distributienet de rechtsopvolgers van N.V. [E], en uit de stukken blijkt niet dat de rechten uit de Infrastructuurovereenkomst met toepassing van artikel 6.4 van die overeenkomst aan belanghebbende zijn overgedragen, aldus de klacht.
2.4.4. Verder richt de klacht zich onder meer tegen het onder 2.3.2 weergegeven oordeel omtrent de samenhang tussen artikel 11.2 van de Koopovereenkomst enerzijds en de artikelen 1.1 en 6.1 van de Infrastructuurovereenkomst anderzijds. Uit die samenhang volgt dat die beide overeenkomsten niet meer aan de heffing van precariobelasting in de weg staan, aangezien de daar vermelde periode van tien jaren is verstreken, aldus de klacht.
2.5.1. De klacht slaagt voor zover daarmee wordt opgekomen tegen ’s Hofs vaststelling dat N.V. [F] ten tijde van het sluiten van de Koopovereenkomst in 1999 niet alleen het gasnetwerk maar ook het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Naarden exploiteerde. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is deze vaststelling niet begrijpelijk, gelet op hetgeen blijkens de stukken van het geding door partijen in beroep en hoger beroep is aangevoerd en gelet op hetgeen het Hof overigens heeft vastgesteld. In die stukken komt tot uitdrukking dat partijen ervan uitgingen dat N.V. [F] in 1999 alleen het gasnetwerk exploiteerde. Daarmee komt de grond te ontvallen aan ’s Hofs kennelijk mede op die vaststelling voortbouwende oordeel dat de eveneens in 1999 gesloten Infrastructuurovereenkomst mede betrekking heeft op het elektriciteitsnetwerk.
2.5.2. Blijkens zijn hiervoor onder 2.3.1 weergegeven oordeel is het Hof ervan uitgegaan dat belanghebbende een beroep kan doen op hetgeen destijds bij de Infrastructuurovereenkomst is overeengekomen, omdat belanghebbende behoort tot de in artikel 6.4 van die overeenkomst bedoelde vennootschappen binnen de [E] -groep. Bedoeld artikel 6.4 houdt in dat N.V. [F] gerechtigd is de overeenkomst aan een andere vennootschap binnen de [E] -groep over te dragen. De heffingsambtenaar heeft blijkens de stukken van het geding in hoger beroep gemotiveerd betwist (i) dat belanghebbende de rechtsopvolger is van N.V. [F] en (ii) dat N.V. [F] de aan de Infrastructuurovereenkomst te ontlenen rechten aan belanghebbende heeft overgedragen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk ’s Hofs oordeel dat belanghebbende zich op de inhoud van de Infrastructuurovereenkomst kan beroepen.
2.5.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 en 2.5.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven en behoeft de klacht voor het overige thans geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.
2.5.4. Voor het geval in het geding na verwijzing het bepaalde in artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst een rol mocht spelen, wijst de Hoge Raad op het volgende. In artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst is bepaald dat de gemeente toestemming verleent voor het gebruik maken van gemeentelijke eigendommen dan wel eigendommen van derden die een openbare bestemming hebben, voor zover de gemeente daarvoor op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning kan verlenen. Een dergelijke bepaling moet aldus worden begrepen dat toestemming voor dit gebruik wordt verleend krachtens de in die bepaling genoemde publiekrechtelijke bevoegdheid van de gemeente ten aanzien van die voor de openbare dienst bestemde eigendommen. Een uit een zodanig gebruik van haar publiekrechtelijke bevoegdheden voortvloeiende plicht van de gemeente om de gas- en/of elektriciteitsleidingen in gemeentegrond toe te staan, brengt niet een gedoogplicht mee die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat (vgl. HR 21 januari 1987, nr. 24060, BNB 1987/104, en HR 13 augustus 2004, nrs. 37408, 37409 en 37410, ECLI:NL:HR:2004:AF7810, BNB 2004/368). Van een contractuele gedoogplicht die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat, is slechts sprake indien een gemeente op grond van een overeenkomst als eigenaar van de grond moet gedogen dat de wederpartij voorwerpen op, onder of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Hoge Raad 24-06-2016, nr. 15/04492. De Hoge Raad heet de zaak verwezen naar Hof Amsterdam ter verdere behandeling.

Precariobelasting 2012 gemeente Haarlemmermeer

4.1.1.1 Belanghebbende heeft primair gesteld dat de Regeling nog steeds geldt, dat de heffingsambtenaar gebonden is aan het bepaalde in artikel 1 van de Regeling en dat deze bepaling aan de heffing van precariobelasting in de weg staat.
4.1.1.2. Volgens belanghebbende volgt noch uit de wetsgeschiedenis van de Elektriciteitswet 1989, Wet van 16 november 1989, Stb. 535, noch uit die wet zelf, dat de in de Regeling vermelde Rijksconcessie met de invoering van die wet is komen te vervallen. Dat dit niet het geval is geweest leidt belanghebbende ook af uit de omstandigheid dat de rijksconcessies in de wetsgeschiedenis van de Wet Energiedistributie, Wet van 14 december 1996, Stb. 642, volgens haar nog ‘veelvuldig’ aan de orde komen. Bovendien is de Rijksconcessie volgens belanghebbende nooit ingetrokken en blijkt niet dat deze is vervallen.
4.1.2. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, omdat deze feitelijk is vervallen. De heffingsambtenaar stelt in dit verband voorts dat het op de weg van belanghebbende heeft gelegen om de Rijksconcessie over te leggen.
4.1.3.1. In de aanhef van de Regeling is verwezen naar een aan de Provincie Noord-Holland verleende rijksconcessie (hierna: de Rijksconcessie). In artikel 7 van de Regeling is vermeld dat de Regeling van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop die Rijksconcessie wordt ingetrokken, vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt.
4.1.3.2. De inhoud van de Rijksconcessie is partijen, naar het Hof hen begrijpt, niet bekend.
4.1.3.7. De rechtbank heeft de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft laten rusten, nu zij op andere gronden tot het oordeel is gekomen dat de Regeling – zo die nog gelding zou hebben – de aanslag niet verhindert. Ofschoon ook andere gronden aan het beroep van belanghebbende op artikel 1 van de Regeling in de weg kunnen staan, zal het Hof eerst een oordeel geven over de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft.
4.1.3.8. Met de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie is voor het eerst een uitputtende wettelijke regeling tot stand gekomen van de productie en distributie van elektriciteit in Nederland. Deze regeling voorziet in een exclusieve bevoegdheid voor de rijksoverheid (de Minister van Economische Zaken) om planmatig beleid te vormen ter zake van – op afstand van de overheid – door private partijen te produceren en te distribueren elektriciteit.
Deze wettelijke regeling – men spreekt in dit verband ook wel van een vergunningenstelsel – kwam in de plaats van ‘allerlei formele en informele regelingen’ die vóór 1989 golden en waartoe, naar het Hof begrijpt, ook de rijksconcessies moeten worden gerekend, vergelijk Handelingen II, 10 november 1988, TK 22, p. 1151 rk. Voor de lokale overheden is in het kader van de (nieuwe) wettelijke regeling op het terrein van de (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van energie geen rol meer weggelegd. Daarmee is aan de in het begin van de twintigste eeuw door de rijksoverheid verleende rijksconcessies functie en betekenis komen te ontvallen. Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 1998, nr. H01970074/ Q01, ECLI:NL: RVS:1998: AN5671, AB 1998, 261, met noot van M. Schreuder-Vlasblom, alsmede D.L.M.T. Dankers-Hagenaars, Op het spoor van de concessie, diss., Boom Juridische uitgevers, 2000, p. 49.
4.1.3.9. De vraag is nu wat de invoering van de Electriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie betekent voor de Rijksconcessie die in de Regeling is vermeld. Of deze concessie, met de inhoud waarvan partijen niet bekend zijn, formeel op enig moment is ingetrokken is niet duidelijk. Wel blijkt uit artikel 7 van de Regeling dat deze ‘van rechtswege eindigt’ op het tijdstip waarop de Rijksconcessie ‘ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt’. Op grond van deze ruime formulering, bezien ook tegen de achtergrond van de reeds ten tijde van de totstandkoming van de Regeling bestaande onduidelijkheid omtrent de wettelijke grondslag van een rijksconcessie, acht het Hof het aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de Regeling de bedoeling is geweest van B&W en [B 2] om deze niet meer te laten gelden indien de Rijksconcessie geen functie of betekenis meer heeft, ongeacht de vraag of het tot een formele intrekking van die concessie is gekomen.
Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, zodat de Regeling niet aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting in de weg kan staan. Voor het geval hierover anders zou moeten worden geoordeeld, overweegt het Hof als volgt over de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan de Regeling.
Kan belanghebbende aan de Regeling rechten ontlenen?
4.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, omdat zij niet de (rechtsopvolger van) [B 2] is. In dit verband heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“9. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij is getreden in de rechten van [B 2]. Op grond van hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, stelt de rechtbank vast dat [A] N.V. en niet eiseres de rechtsopvolger is van [B 2]. (…) Nu eiseres niet zelf de rechtsopvolger is van [B 2] kan zij geen rechtstreeks beroep doen op aan de Regeling te ontlenen rechten. Dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst (formeel) aan eiseres zijn overgedragen, is gesteld noch (overigens) aannemelijk geworden.
10. Eiseres heeft gesteld dat de gemeente - ook - jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden en daarom niet bevoegd is om precariobelasting van haar te heffen. Zij wijst daartoe allereerst op de (structuur van de) Elektriciteitswet 1998. In dat kader heeft eiseres gesteld dat in de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat de eigenaar van het elektriciteitsnetwerk een netbeheerder aanwijst (rechtbank: artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998) en dat die netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het desbetreffende netwerk (artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998). De minister van Economische Zaken heeft met de aanwijzing van eiseres (althans haar rechtsvoorganger Noord West Net N.V.) als netbeheerder ingestemd (rechtbank: artikel 12, tweede lid, Elektriciteitswet 1998). Het voorgaande betekent dat eiseres de netten van [A] N.V. beheert en daarmee exclusief aan alle wettelijke taken van de Elektriciteitswet 1998 kan voldoen. Op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen alsmede op grond van artikel VI van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (hierna: Won) zijn de rechten en verplichtingen met betrekking tot het net, waaronder de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling, van [A] N.V. overgegaan op eiseres. Dit wordt bevestigd door hetgeen is opgenomen in de Memorie van Toelichting bij artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, welke bepaling is ingevoerd bij de Wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met de implementatie en aanscherping toezicht netbeheer (hierna: I&I-wet):
“Gelet op deze verantwoordelijkheid dient de netbeheerder ook gerechtigd te zijn tot alle rechten ten aanzien van het net om alle verplichtingen ten aanzien van het netwerk te kunnen dragen.” (Tweede Kamer 2003-2004, 29 372, nr. 3, p. 14)
11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Tussen partijen is niet meer in geschil dat [A] N.V. als juridische eigenaar van het elektriciteitsnetwerk eiseres als netbeheerder heeft aangewezen en dat de Minister van Economische Zaken daarmee heeft ingestemd alsmede dat eiseres als netbeheerder de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk heeft verkregen. Dat brengt op zichzelf echter nog niet mee dat daarmee tevens de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling die (mede) samenhangen met de exploitatie van dat netwerk op eiseres zijn overgegaan. Voorts valt niet in te zien dat het bepaalde in de I&I-wet (welke wet heeft geleid tot de bepaling in de Elektriciteitswet 1998 die gebiedt dat de economische eigendom van de regionale elektriciteitsnetten dient te berusten bij de netbeheerder, zoals hiervoor onder 10 omschreven) en/of de Won (welke wet de splitsing tussen beheerders van energienetwerken en producten/leveranciers/handelaars van elektriciteit heeft bewerkstelligd) een dergelijke overgang zou (kunnen) effectueren. Een in de Memorie van Toelichting opgenomen passage is daartoe onvoldoende. Overigens blijkt uit de hiervoor deels geciteerde passage van de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet alsmede uit de Memorie van Toelichting bij de Won (Tweede Kamer 2004-2005, 31 212, nr. 3, p. 11 e.v.) uitsluitend dat (regionale) netbeheerders en de producenten/leveranciers/ handelaren in juridische en economische zin gescheiden dienen te worden en dat de netbeheerder zodanig zelfstandig en onafhankelijk van de netwerkeigenaar (mogelijk een groepsvennootschap) moet kunnen opereren en dat zij haar activiteiten – zoals (onder meer) het plegen van onderhoud, de aanleg en reparatie en overige investeringen ter zake van het netwerk, alsmede de inkoop van energie – zelf kan uitvoeren en vrij moet zijn van beïnvloeding door andere belangen dan dat van maatschappelijk optimaal netbeheer. Mede ter financiering van het beheer dient de netbeheerder over de economische eigendom (“alle activa en toebehoren”) van het door hem beheerde netwerk te kunnen beschikken en dient hij die beslissingen te kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken. Uit niets in deze passages blijkt dat bedoeld is, of noodzakelijk wordt geacht, dat alle contractuele rechten en verplichtingen ter zake van de exploitatie van het netwerk op de netwerkbeheerder zouden overgaan, laat staan dat zulks van rechtswege zou geschieden. Integendeel, in de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet is onderkend dat bestaande overeenkomsten (zoals leaseovereenkomsten) mogelijk zullen moeten worden aangepast. In de Memorie van Toelichting bij de Won is ter zake nog vermeld dat “de overdracht van de economische eigendom tot de nodige verschuivingen van rechten en plichten kon leiden” en dat daarom artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 pas in werking zou treden als duidelijkheid bestond over de gevolgen van de splitsing (van netbeheer en productie/leverantie/handel). De (eventuele) overgang van iets meer of anders dan de economische eigendom (zoals gedefinieerd in de Elektriciteitswet 1998) van het netwerk op de netbeheerder is aldus met de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 – en de invoering van een onafhankelijk netbeheer – naar het oordeel van de rechtbank niet geregeld of beoogd. Eiseres kan worden toegegeven dat het op zich voor de hand ligt om in een voorkomend geval met de economische eigendom van het netwerk ook de daarmee verbonden overige activa en passiva inclusief onder meer contractuele relaties over te dragen, maar dat is in het onderhavige geval nu eenmaal niet gebeurd.
12. Wat betreft andere door eiseres genoemde rechterlijke procedures waarin deze kwestie aan de orde is geweest, stelt de rechtbank op grond van de uitspraken vast dat in die zaken tussen partijen niet in geschil was dat de desbetreffende overeenkomst wel gold tussen de gemeente en de belanghebbende in die procedure. In de onderhavige procedure is dat nu juist niet komen vast te staan.”
4.2.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] N.V. (hierna: [A]), de juridisch eigenaar is van het elektriciteitsnetwerk waarover de precariobelasting is geheven, dat deze vennootschap de rechtsopvolger is van [B 2] en dat belanghebbende als netbeheerder de beschikking heeft over de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk. Belanghebbende wijst in dit verband (mede) op artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, Wet van 2 juli 1998, Stb. 427, waarin het volgende is bepaald: “De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, beschikt over de economische eigendom van het door hem beheerde net.”
Belanghebbende stelt dat aan haar als economisch eigenaar, mede gelet op de definitie van ‘economische eigendom’ in artikel 1, eerste lid, onder aa, Elektriciteitswet 1998, alle rechten toekomen die ook aan [A] als juridisch eigenaar toekomen. Het betreft alle rechten die direct verband houden met haar wettelijke taken, te weten het hebben, in stand houden, vernieuwen, verwijderen en aanleggen van elektriciteitswerken. Tot die rechten behoort volgens belanghebbende ook het recht om een beroep te doen op artikel 1 van de Regeling, welke bepaling inhoudt dat voor de aanwezigheid van (onder meer) het elektriciteitsnetwerk geen vergoeding verschuldigd is, zodat ter zake daarvan ook geen precariobelasting mag worden geheven.
4.2.2.2. Bovendien – zo betoogt belanghebbende – heeft de gemeente zich op grond van de Regeling ertoe verbonden om de aanwezigheid van netwerkkabels in haar grond te gedogen. Dit gedogen is – naar het Hof belanghebbende begrijpt – niet verbonden aan een bepaald rechtssubject, maar aan de (aanwezigheid van de) elektriciteitswerken zelf. Dit betekent volgens belanghebbende dat zij uit hoofde van haar activiteit als netbeheerder rechtstreeks een beroep kan doen op art. 1 van de Regeling. Daarbij acht belanghebbende van belang dat ten tijde van de totstandkoming van de Regeling zowel de taken die verband hielden met de productie en levering van elektriciteit als het beheer van de elektriciteitswerken door hetzelfde lichaam werden uitgevoerd.
4.2.3.1. De heffingsambtenaar heeft de stelling dat belanghebbende als economisch eigenaar van de netwerkkabels recht heeft op toepassing van de Regeling betwist onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in onderdeel 11 van haar uitspraak en onder verwijzing naar hetgeen het Hof op dit punt heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 oktober 2014, nr. 13/00611, GHAMS:2014:4182.
4.2.3.2. De door belanghebbende gestelde gedoogplicht wordt door de heffingsambtenaar eveneens betwist, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen. Voor zover er al een gedoogplicht zou zijn, dan zou deze uitsluitend jegens de bij de Regeling betrokken elektriciteitsonderneming (en haar rechtsopvolger) gelden.
4.2.4.1. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de omstandigheid dat belanghebbende netbeheerder is en uit dien hoofde economisch eigenaar van de elektriciteitsnetwerken waarvan [A] de juridisch eigenaar is, niet dat rechten die aan [A] als rechtsopvolger van [B 2] toekomen, zoals die uit hoofde van de Regeling (verondersteld dat de Regeling in het onderhavige jaar nog geldt), op haar zijn overgegaan. Evenmin maakt de omstandigheid dat belanghebbende als enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A] – zoals belanghebbende het heeft geformuleerd – ‘over deze vennootschap volledige zeggenschap heeft en zodoende over het elektriciteitsnetwerk beschikt’ dat zij rechtstreeks in de rechten treedt die aan [A] als rechtsopvolger van [B 2] toekomen.
Een overgang van rechten (uit hoofde van overeenkomsten) die aan [A] toekomen volgt ook niet uit de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer, Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328 (hierna I&I-wet), welke heeft geleid tot de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998. De (eventuele) overgang van iets méér of anders dan de economische eigendom van het netwerk op de netwerkbeheerder is met de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 niet geregeld of beoogd (verg. Kamerstukken II 2003/04, 29372, nr. 3, p. 33).
4.2.4.2. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep heeft gesteld dat de Regeling een derdenbeding bevat waar zij zich op kan beroepen, sluit het Hof zich aan bij hetgeen hierover onder 15 in de uitspraak van de rechtbank is overwogen, te weten:
“15. Eiseres betoogt voorts dat de gemeente jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden, omdat de bepalingen in de Regeling inzake het hebben van netten moeten worden aangemerkt als derdenbeding ten behoeve van eiseres. De rechtbank verwerpt deze stelling, aangezien noch naar de tekst, noch naar de strekking van de Regeling sprake is van een derdenbeding. Evenmin vermag de rechtbank in te zien dat naar de aard van de Regeling sprake is van een derdenbeding. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan immers niet worden gezegd dat met die Regeling “evident is beoogd de heffing van precariobelasting op de netten uit te sluiten”, nu in artikel 7 van de Regeling is bepaald wanneer de Regeling van rechtswege eindigt.”
Ook overigens kan uit de Regeling niet worden afgeleid dat belanghebbende daaraan rechtstreeks een recht op vrijstelling van precariobelasting kan ontlenen, omdat – naar het Hof belanghebbende begrijpt – de Regeling een gedogen van de aanwezigheid van het elektriciteitsnetwerk inhoudt. Zo al van een dergelijk gedogen sprake zou zijn, houdt dat niet in dat er van belanghebbende geen precariobelasting zou mogen worden geheven. Een dergelijk recht uit hoofde van de Regeling komt uitsluitend aan (een rechtsopvolger van) [B 2] toe.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00573

Precariobelasting 2013 gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude

4.1.1.1 Belanghebbende heeft primair gesteld dat de Regeling nog steeds geldt, dat de heffingsambtenaar gebonden is aan het bepaalde in artikel 1 van de Regeling en dat deze bepaling aan de heffing van precariobelasting in de weg staat.
4.1.1.2. Volgens belanghebbende volgt noch uit de wetsgeschiedenis van de Elektriciteitswet 1989, Wet van 16 november 1989, Stb. 535, noch uit die wet zelf, dat de Rijksconcessie met de invoering van die wet is komen te vervallen. Dat dit niet het geval is geweest leidt belanghebbende ook af uit de omstandigheid dat de rijksconcessies in de wetsgeschiedenis van de Wet Energiedistributie, Wet van 14 december 1996, Stb. 642, volgens haar nog ‘veelvuldig’ aan de orde komen. Bovendien is de Rijksconcessie volgens belanghebbende nooit ingetrokken en blijkt niet dat deze is vervallen.
4.1.2. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, omdat deze van rechtswege is geëindigd.
4.1.3.1. In de aanhef van de Regeling is verwezen naar een aan de Provincie Noord-Holland verleende rijksconcessie (hierna: de Rijksconcessie). In artikel 7 van de Regeling is vermeld dat de Regeling van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop die Rijksconcessie wordt ingetrokken, vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt.
4.1.3.2. De inhoud van de Rijksconcessie is partijen, naar het Hof hen begrijpt, niet bekend.
4.1.3.7. De rechtbank heeft de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft laten rusten, nu zij op andere gronden tot het oordeel is gekomen dat de Regeling – zo die nog gelding zou hebben – de aanslag niet verhindert. Ofschoon ook andere gronden aan het beroep van belanghebbende op artikel 1 van de Regeling in de weg kunnen staan, zal het Hof eerst een oordeel geven over de vraag of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft.
4.1.3.8. Met de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie is voor het eerst een uitputtende wettelijke regeling tot stand gekomen van de productie en distributie van elektriciteit in Nederland. Deze regeling voorziet in een exclusieve bevoegdheid voor de rijksoverheid (de Minister van Economische Zaken) om planmatig beleid te vormen ter zake van – op afstand van de overheid – door private partijen te produceren en te distribueren elektriciteit.
Deze wettelijke regeling – men spreekt in dit verband ook wel van een vergunningenstelsel – kwam in de plaats van ‘allerlei formele en informele regelingen’ die vóór 1989 golden en waartoe, naar het Hof begrijpt, ook de rijksconcessies moeten worden gerekend, vergelijk Handelingen II, 10 november 1988, TK 22, p. 1151 rk. Voor de lokale overheden is in het kader van de (nieuwe) wettelijke regeling op het terrein van de (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van energie geen rol meer weggelegd. Daarmee is aan de in het begin van de twintigste eeuw door de rijksoverheid verleende rijksconcessies functie en betekenis komen te ontvallen. Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 1998, nr. H01970074/ Q01, ECLI:NL: RVS:1998: AN5671, AB 1998, 261, met noot van M. Schreuder-Vlasblom, alsmede D.L.M.T. Dankers-Hagenaars, Op het spoor van de concessie, Boom Juridische uitgevers, 2000, p. 49.
4.1.3.9. De vraag is nu wat de invoering van de Electriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie betekent voor de Rijksconcessie die in de Regeling is vermeld. Of deze concessie, met de inhoud waarvan partijen niet bekend zijn, formeel op enig moment is ingetrokken is niet duidelijk. Wel blijkt uit artikel 7 van de Regeling dat deze ‘van rechtswege eindigt’ op het tijdstip waarop de Rijksconcessie ‘ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt’. Op grond van deze ruime formulering, bezien ook tegen de achtergrond van de reeds ten tijde van de totstandkoming van de Regeling bestaande onduidelijkheid omtrent de wettelijke grondslag van een rijksconcessie, acht het Hof het aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de Regeling de bedoeling is geweest van B&W en [C] om deze niet meer te laten gelden indien de Rijksconcessie geen functie of betekenis meer heeft, ongeacht de vraag of het tot een formele intrekking van die concessie is gekomen.
Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, zodat de Regeling niet aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting in de weg kan staan. Voor het geval hierover anders zou moeten worden geoordeeld, overweegt het Hof als volgt over de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan de Regeling.
Kan belanghebbende aan de Regeling rechten ontlenen?
4.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende zich niet op de Regeling kan beroepen, omdat zij niet de (rechtsopvolger van) [C] is. In dit verband heeft de rechtbank het volgende overwogen.
“9. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij is getreden in de rechten van [C] Op grond van hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, stelt de rechtbank vast dat [A N.V.] en niet eiseres de rechtsopvolger is van [C] Eiseres kan daarom geen recht-streeks beroep doen op de aan de Regeling te ontlenen rechten. Dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst (formeel) aan eiseres zijn overgedragen, is gesteld noch (overigens) aannemelijk geworden.
10. Eiseres heeft gesteld dat de gemeente – ook – jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden en daarom niet bevoegd is om precariobelasting van haar te heffen. Zij wijst daartoe allereerst op de (structuur van de) Elektriciteitswet 1998. In dat kader heeft eiseres gesteld dat in de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat de eigenaar van het elektriciteitsnetwerk een netbeheerder aanwijst (rechtbank: artikel 10, negende lid, van de Elektriciteitswet 1998) en dat die netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het desbetreffende netwerk (artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998). De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft met de aanwijzing van eiseres (althans haar rechtsvoorganger Noord West Net N.V.) als netbeheerder ingestemd (rechtbank: artikel 12, tweede lid, Elektriciteitswet 1998). Het voorgaande betekent dat eiseres de netten van [A N.V.] beheert en daarmee exclusief aan alle wettelijke taken van de Elektriciteitswet 1998 kan voldoen. Op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen alsmede op grond van artikel VI van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (hierna: Won) zijn de rechten en verplichtingen met betrekking tot het net, waaronder de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling, van [A N.V.] overgegaan op eiseres. Dit wordt bevestigd door hetgeen is opgenomen in de Memorie van Toelichting bij artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, welke bepaling is ingevoerd bij de Wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met de implementatie en aanscherping toezicht netbeheer (hierna: I&I-wet):
“Gelet op deze verantwoordelijkheid dient de netbeheerder ook gerechtigd te zijn tot alle rechten ten aanzien van het net om alle verplichtingen ten aanzien van het netwerk te kunnen dragen.” (Tweede Kamer 2003-2004, 29 372, nr. 3, p. 14)
11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. De rechtbank heeft weliswaar aangenomen (naar eiseres heeft gesteld en verweerder niet heeft bestreden) en als vaststaand vermeld dat eiseres als netbeheerder de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk van [A N.V.] heeft verkregen, doch die omstandigheid brengt op zichzelf nog niet mee dat daarmee tevens de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Regeling die (mede) samenhangen met de exploitatie van dat netwerk op eiseres zijn overgegaan. Voorts valt niet in te zien dat het bepaalde in de I&I-wet (welke wet heeft geleid tot de bepaling in de Elektriciteitswet 1998 die gebiedt dat de economische eigendom van de regionale elektriciteitsnetten dient te berusten bij de netbeheerder, zoals hiervoor onder 10 omschreven) en/of de Won (welke wet de splitsing tussen beheerders van energienetwerken en producten/leveranciers/handelaars van elektriciteit heeft bewerkstelligd) een dergelijke overgang zou (kunnen) effectueren. Een in de Memorie van Toelichting opgenomen passage is daartoe onvoldoende. Overigens blijkt uit de hiervoor deels geciteerde passage van de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet alsmede uit de Memorie van Toelichting bij de Won (Tweede Kamer 2004-2005, 31 212, nr. 3, p. 11 e.v.) uitsluitend dat (regionale) netbeheerders en de producenten/leveranciers/handelaren in juridische en economische zin gescheiden dienen te worden en dat de netbeheerder zodanig zelfstandig en onafhankelijk van de netwerkeigenaar (mogelijk een groepsvennootschap) moet kunnen opereren en dat zij haar activiteiten – zoals (onder meer) het plegen van onderhoud, de aanleg en reparatie en overige investeringen ter zake van het netwerk, alsmede de inkoop van energie – zelf kan uitvoeren en vrij moet zijn van beïnvloeding door andere belangen dan dat van maatschappelijk optimaal netbeheer. Mede ter financiering van het beheer dient de netbeheerder over de economische eigendom (“alle activa en toebehoren”) van het door hem beheerde netwerk te kunnen beschikken en dient hij die beslissingen te kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken. Uit niets in deze passages blijkt dat bedoeld is, of noodzakelijk wordt geacht, dat alle contractuele rechten en verplichtingen ter zake van de exploitatie van het netwerk op de netwerkbeheerder zouden overgaan, laat staan dat zulks van rechtswege zou geschieden. Integendeel, in de Memorie van Toelichting bij de I&I-wet is onderkend dat bestaande overeenkomsten (zoals leaseovereenkomsten) mogelijk zullen moeten worden aangepast. In de Memorie van Toelichting bij de Won is terzake nog vermeld dat “de overdracht van de economische eigendom tot de nodige verschuivingen van rechten en plichten kon leiden” en dat daarom artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 pas in werking zou treden als duidelijkheid bestond over de gevolgen van de splitsing (van netbeheer en productie/leverantie/handel). De (eventuele) overgang van iets meer of anders dan de economische eigendom (zoals gedefinieerd in de Elektriciteitswet 1998) van het netwerk op de netbeheerder is aldus met de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 – en de invoering van een onafhankelijk netbeheer – naar het oordeel van de rechtbank niet geregeld of beoogd (de in artikel VI van de Won ter zake van de verkrijging van de economische eigendom gemaakte uitzondering voor “de rechten van derden die voortvloeien uit of verband houden met een overeenkomst met betrekking tot dat net” bevestigt dit een en ander). Eiseres kan worden toegegeven dat het op zich voor de hand ligt om in een voorkomend geval met de economische eigendom van het netwerk ook de daarmee verbonden overige activa en passiva inclusief onder meer contractuele relaties over te dragen, maar dat is in het onderhavige geval nu eenmaal niet gebeurd.
12. Wat betreft andere door eiseres genoemde rechterlijke procedures waarin deze kwestie aan de orde is geweest, stelt de rechtbank op grond van de uitspraken vast dat in die zaken tussen partijen niet in geschil was dat de desbetreffende overeenkomst wel gold tussen de gemeente en de belanghebbende in die procedure. In de onderhavige procedure is dat nu juist niet komen vast te staan.”
4.2.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [A N.V.] (hierna: [A N.V.]), de juridisch eigenaar is van het elektriciteitsnetwerk waarover de precariobelasting is geheven, dat deze vennootschap de rechtsopvolger is van [C] en dat belanghebbende als netbeheerder de beschikking heeft over de economische eigendom van het elektriciteitsnetwerk. Belanghebbende wijst in dit verband (mede) op artikel 10a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, Wet van 2 juli 1998, Stb. 427, waarin het volgende is bepaald: “De netbeheerder, met uitzondering van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, beschikt over de economische eigendom van het door hem beheerde net.”
Belanghebbende stelt dat aan haar als economisch eigenaar, mede gelet op de definitie van ‘economische eigendom’ in artikel 1, eerste lid, onder aa, Elektriciteitswet 1998, alle rechten toekomen die ook aan [A N.V.] als juridisch eigenaar toekomen. Het betreft alle rechten die direct verband houden met de wettelijke taken van belanghebbende, te weten het hebben, in stand houden, vernieuwen, verwijderen en aanleggen van elektriciteitswerken.
Tot die rechten behoort volgens belanghebbende ook het recht om een beroep te doen op artikel 1 van de Regeling, welke bepaling inhoudt dat voor de aanwezigheid van (onder meer) het elektriciteitsnetwerk geen vergoeding verschuldigd is, en waaruit belanghebbende afleidt dat ter zake van de aanwezigheid van dat netwerk, zodat ter zake daarvan ook geen precariobelasting mag worden geheven.
4.2.2.2. Bovendien – zo betoogt belanghebbende – heeft de gemeente zich op grond van de Regeling ertoe verbonden om de aanwezigheid van netwerkkabels in haar grond te gedogen. Dit gedogen is – naar het Hof belanghebbende begrijpt – niet verbonden aan een bepaald rechtssubject, maar aan de (aanwezigheid van de) elektriciteitswerken zelf. Dit betekent volgens belanghebbende dat zij uit hoofde van haar activiteit als netbeheerder rechtstreeks een beroep kan doen op art. 1 van de Regeling. Daarbij acht belanghebbende van belang dat ten tijde van de totstandkoming van de Regeling zowel de taken die verband hielden met de productie- en levering van elektriciteit als het beheer van de elektriciteitswerken door hetzelfde lichaam werden uitgevoerd.
4.2.3.1. De heffingsambtenaar heeft de stelling dat belanghebbende als economisch eigenaar van de netwerkkabels recht heeft op toepassing van de Regeling betwist onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in onderdeel 11 van haar uitspraak en onder verwijzing naar hetgeen het Hof op dit punt heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 oktober 2014, nr. 13/00611, GHAMS:2014:4182.
4.2.3.2. De door belanghebbende gestelde gedoogplicht wordt door de heffingsambtenaar eveneens betwist, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen. Daarnaast is het de heffingsambtenaar ook overigens niet duidelijk waarop belanghebbende in dezen het bestaan van een algemene gedoogplicht baseert. Voor zover er al een gedoogrecht zou gelden, dan zou dat uitsluitend jegens de bij de Regeling betrokken elektriciteits-onderneming (en haar rechtsopvolger) gelden.
4.2.4.1. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de omstandigheid dat belanghebbende netbeheerder is en uit dien hoofde economisch eigenaar van de elektriciteitsnetwerken waarvan [A N.V.] de juridisch eigenaar is, niet dat rechten die aan [A N.V.] als rechtsopvolger van [C] toekomen, zoals die uit hoofde van de Regeling (verondersteld dat de Regeling in het onderhavige jaar nog geldt), op haar zijn overgegaan. Evenmin maakt de omstandigheid dat belanghebbende als enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A N.V.] – zoals belanghebbende het heeft geformuleerd – ‘over deze vennootschap volledige zeggenschap heeft en zodoende over het elektriciteitsnetwerk beschikt’ dat zij rechtstreeks in de rechten treedt die aan [A N.V.] als rechtsopvolger van [C] toekomen.
Een overgang van rechten (uit hoofde van overeenkomsten) die aan [A N.V.] toekomen volgt ook niet uit de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer, Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328 (hierna I&I-wet), welke heeft geleid tot de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998. De (eventuele) overgang van iets méér of anders dan de economische eigendom van het netwerk op de netwerkbeheerder is met de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 niet geregeld of beoogd (verg. Kamerstukken II 2003/04, 29372, nr. 3, p. 33).
4.2.4.2. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep heeft gesteld dat de Regeling een derdenbeding bevat waar zij zich op kan beroepen, sluit het Hof zich aan bij hetgeen hierover onder 15 in de uitspraak van de rechtbank is overwogen, te weten:
“15. Eiseres betoogt voorts dat de gemeente jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling is gebonden, omdat de bepalingen in de Regeling inzake het hebben van netten moeten worden aangemerkt als derdenbeding ten behoeve van eiseres. De rechtbank verwerpt deze stelling, aangezien noch naar de tekst van de Regeling, noch naar de strekking sprake is van een derdenbeding. Evenmin vermag de rechtbank in te zien dat naar de aard van de Regeling sprake is van een derdenbeding. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan immers niet worden gezegd dat met die Regeling “evident is beoogd de heffing van precariobelasting op de netten uit te sluiten”, nu in artikel 7 van de Regeling is bepaald wanneer de Regeling van rechtswege eindigt.”
Ook overigens kan uit de Regeling niet worden afgeleid dat belanghebbende daaraan rechtstreeks een recht op vrijstelling van precariobelasting kan ontlenen, omdat – naar het Hof belanghebbende begrijpt – de Regeling een gedogen van de aanwezigheid van het elektriciteitsnetwerk inhoudt. Zo al van een dergelijk gedogen sprake zou zijn, houdt dat niet in dat er van belanghebbende geen precariobelasting zou mogen worden geheven. Een dergelijk recht uit hoofde van de Regeling komt uitsluitend aan (een rechtsopvolger van) [C] toe.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00560

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

4.1 Naar het oordeel van het Hof volgt uit artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst dat de gemeente [A] aan N.V. [G] - en blijkens artikel 6.4 van diezelfde overeenkomst ook aan andere vennootschappen binnen de [F] groep - toestemming verleent om gemeentegrond te gebruiken voor het aanleggen en in stand houden van het in die overeenkomst gedefinieerde Distributienet. Niet in geschil is dat de gas- en elektraleidingen waarop de onderhavige voorlopige aanslag ziet onderdeel uitmaken van dat distributienet. Verder is niet in geschil dat belanghebbende behoort tot de [F] groep als bedoeld in artikel 6.4 van de Infrastructuurovereenkomst. Het bovenstaande betekent dat belanghebbende met succes een beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 4, onder c, van de Verordening.
4.2 Hetgeen is opgenomen in artikel 11.2 van de Koopovereenkomst, brengt het Hof niet tot een ander oordeel, ook niet wanneer dit artikellid wordt gelezen in samenhang met het eerste lid van artikel 6 van die overeenkomst. Anders dan de heffingsambtenaar blijkbaar meent, is geen sprake van tegenstrijdigheid tussen artikel 11.2 van de Koopovereenkomst en artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst. Immers, artikel 11.2 van de Koopovereenkomst komt er, voor zover van belang, op neer dat de heffingsambtenaar gedurende een periode van 10 jaar geen precariobelasting zal heffen met betrekking tot het Distributienet en dat na ommekomst van deze periode zulks de heffingsambtenaar weer vrij staat. Deze bepaling laat onverlet dat belanghebbende een beroep kan doen op een in de Verordening opgenomen vrijstelling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-09-2015, nr. 14/00554. Het hiertegen door het college van Naarden ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad gegrond verklaard, Hoge Raad 24-06-2016, nr. 15/04492.

Hoogheemraadschap Rijnland

3.1 Rijnland heeft zich in zijn ‘memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel’ (hierna: MvA/MvG-inc) op het standpunt gesteld dat het aanbieden van een privaatrechtelijke gebruiksregeling geen onaanvaardbare doorkruising vormt van de regeling van artikel 114 Waterschapswet. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat in artikel 4 sub a van de VNG Modelverordening precariobelasting is aangegeven dat geen precariobelasting wordt geheven ter zake van voorwerpen indien daarvoor een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen (punt 2.99 MvA/MvG-inc).
3.2 Kenmerk van de precariobelasting is dat de bevoegdheid tot heffing daarvan pas bestaat wanneer het desbetreffende openbare lichaam (waterschap, gemeente) bevoegd is om als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, het hebben van voorwerpen onder, op of boven zijn grond te verbieden en dat dat lichaam (mitsdien) geen precariobelasting kan heffen wanneer het als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, verplicht is om het hebben van voorwerpen onder, op of boven zijn grond toe te laten (zie o.m. Van Leijenhorst, Lanser, Decentrale Heffingen, 2e druk, 2013, blz. 388 en 398). Wanneer het lichaam bijvoorbeeld een huurovereenkomst heeft gesloten met degene die het voorwerp onder, op of boven zijn grond heeft, is dat lichaam in privaatrechtelijke zin verplicht om dat voorwerp onder, op of boven zijn grond toe te staan – er is een gedoogplicht – en kan geen precariobelasting worden geheven. Aangezien de mogelijkheid van het heffen van precariobelasting derhalve afhankelijk is van de privaatrechtelijke situatie en deze belasting een vangnetfunctie vervult, kan het toepassen of aanbieden van een privaatrechtelijke gebruiksregeling uit de aard der zaak geen onaanvaardbare doorkruising van de regeling van de precariobelasting opleveren. Het voormelde standpunt van Rijnland is dus juist, en zijn verwijzing naar artikel 4 sub a van de VNG Modelverordening precariobelasting doeltreffend. Het feit dat bij het vaststellen van precario een andere rechtsbescherming bestaat, heeft voor de vraag of sprake is van onaanvaardbare doorkruising in dit geval geen relevantie.
3.3 Het zojuist overwogene brengt met zich dat de in rov. 2.1 geformuleerde vraag A ontkennend moet worden beantwoord: er doet zich geen onaanvaardbare doorkruising voor.
Gerechtshof Den Haag 17-02-2015, nr. 200.140.429-01.

Precariobelasting 2011 gemeente Blaricum

5.3. Aan het primaire standpunt van belanghebbende ligt ten grondslag de stelling dat zij op enigerlei wijze is getreden in de onderscheiden rechten van [N.V. E], [N.V. G] en [N.V. F] bij respectievelijk de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst. De Gemeente heeft die stelling gemotiveerd betwist. Anders dan de rechtbank, die veronderstellenderwijs van de juistheid van die stelling is uitgegaan (rov. 3 van haar uitspraak), zal het Hof de juistheid van die stelling beoordelen.
5.4.1. Op grond van hetgeen belanghebbende terzake in de gedingstukken heeft aangevoerd en gelet op de door haar overgelegde documentatie daaromtrent, acht het Hof aannemelijk geworden dier stelling dat, uiteindelijk, [A N.V.] de rechtsopvolger is van [N.V. F] en [N.V. E] en dat, uiteindelijk, [C N.V.] de rechtsopvolger is van [N.V. G]. Voor zover de heffingsambtenaar in hoger beroep die conclusie nog heeft betwist, wordt diens standpunt dan ook verworpen.
5.4.2. Vaststaat derhalve dat belanghebbende, in civiel-juridische zin, niet zelf de rechts-opvolger is van [N.V. E], [N.V. G] of [N.V. F] en dat zij daarom niet rechtstreeks een beroep kan doen op aan de Regeling en/of de Koopovereenkomst en/of de Infrastructuurovereenkomst te ontlenen rechten. Die rechten komen immers toe aan haar dochtervennootschappen [A N.V.] en [C N.V.]. Vaststaat voorts dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten niet (formeel) aan belanghebbende zijn overgedragen.
5.4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de Gemeente niettemin - ook - jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst is gebonden en op die grond niet bevoegd is om van belanghebbende precariobelasting te heffen, omdat (i) de (structuur van de) Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet zulks meebrengt/meebrengen, (ii) sprake is van vereenzelviging van haar met [A N.V.] en [C N.V.], dan wel (iii) sprake is van derdenbedingen ten behoeve van belanghebbende.
Het Hof zal deze argumenten hierna achtereenvolgens bespreken.
5.5.1. Belanghebbende heeft ad (i) het volgende gesteld. In de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is bepaald dat de eigenaar van een elektriciteits- respectievelijk gasnetwerk voor het beheer van dat net een beheerder aanwijst (Hof: artikel 10 lid 3 Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 2 lid 1 Gaswet) en dat die netbeheerder moet beschikken over de economische eigendom van het desbetreffende netwerk (artikel 10a lid 1 Elektriciteitswet 1998 en artikel 3b lid 1 Gaswet). De minister van Economische Zaken heeft, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 12 lid 2 Elektriciteitswet 1998 en artikel 4 lid 2 Gaswet, met de aanwijzing (conform artikel 10 lid 3 Elektriciteitswet 1998 en artikel 2 lid 1 Gaswet) door [A N.V.]/[C N.V.] van belanghebbende als netbeheerder ingestemd. Het voorgaande betekent dat belanghebbende de netten van [A N.V.]/[C N.V.] beheert en daarmee exclusief, met uitsluiting van andere partijen (artikel 16a Elektriciteitswet 1998), aan alle wettelijke taken van de Elektriciteitswet 1998 kan voldoen. Op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen, alsmede op grond van artikel VI van de Wet onafhankelijk netbeheer (Wet van 23 november 2006, Stb. 2006, 614, hierna: Won) zijn de rechten en verplichtingen met betrekking tot de netten van [A N.V.]/[C N.V.] overgegaan op belanghebbende; tot die rechten en verplichtingen behoren ook die uit hoofde van de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst. Dit een en ander wordt bevestigd door hetgeen is opgenomen in de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) bij de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer (Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328, hierna: I&I-wet) met betrekking tot de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 en artikel 3b Gaswet: “ (…) de netbeheerder (dient) ook gerechtigd te zijn tot alle rechten ten aanzien van het net om alle verplichtingen ten aanzien van het netwerk te kunnen dragen” (TK 2003-2004, 29 372, nr. 3, p.14), alsmede door de rechtbank Haarlem in haar uitspraak van 3 maart 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0832, en door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1999. Aldus - nog steeds - belanghebbende.
5.5.2. Het Hof kan belanghebbende niet in haar redenering volgen. Het Hof heeft weliswaar aangenomen (naar belanghebbende heeft gesteld en de heffingsambtenaar niet - voldoende gemotiveerd - heeft bestreden) en als vaststaand vermeld dat belanghebbende als netbeheerder de economische eigendom van de elektriciteits- en gasnetwerken van [A N.V.] en [C N.V.] heeft verkregen, doch die omstandigheid brengt op zichzelf nog niet mee dat daarmee tevens de rechten en verplichtingen uit hoofde van overeenkomsten welke (mede) samenhangen met de exploitatie van die netwerken, op belanghebbende zijn overgegaan. Dat belanghebbende als enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A N.V.]/[C N.V.] “over deze vennootschap[pen] volledige zeggenschap heeft en zodoende over de netten kan beschikken” maakt dit niet anders.
Naar het oordeel van het Hof valt ook niet in te zien dat het bepaalde in de I&I-wet (welke wet heeft geleid tot de bepalingen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet die gebieden dat de economische eigendom van de regionale elektriciteits- en gasnetten dient te berusten bij de netbeheerder, zoals in 5.5.1 hiervoor beschreven) en/of en de Won (welke wet de splitsing tussen beheerders van energienetwerken en producenten/leveranciers/handelaars van elektriciteit en gas heeft bewerkstelligd) een dergelijke overgang zou(den) (kunnen) effectueren. Een in de MvT opgenomen passage is daartoe in elk geval onvoldoende. Overigens blijkt uit de bewuste, hiervoor deels geciteerde passage van de MvT bij de I&I-wet, alsmede uit de MvT bij de Won (TK 2004-2005, 30 212, nr. 3, p. 11 e.v.) uitsluitend dat de (regionale) netbeheerders en de producenten/leveranciers/handelaren in juridische en economische zin gescheiden dienen te worden en dat de netbeheerder zodanig zelfstandig en onafhankelijk van de netwerkeigenaar (mogelijk een groepsvennootschap) moet kunnen opereren dat zij haar activiteiten - zoals (onder meer) het plegen van onderhoud, de aanleg en reparatie en overige investeringen ter zake van het netwerk, alsmede de inkoop van energie - zelf kan uitvoeren en vrij moet zijn van beïnvloeding door andere belangen dan dat van maatschappelijk optimaal netbeheer. Mede ter financiering van het beheer dient de netbeheerder over de economische eigendom (“alle activa en toebehoren”) van het door hem beheerde netwerk te kunnen beschikken en dient hij die beslissingen te kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn wettelijke taken. Uit niets in deze passage blijkt dat bedoeld is, of noodzakelijk wordt geacht, dat alle contractuele rechten en verplichtingen ter zake van de exploitatie van het netwerk op de netbeheerder zouden overgaan, laat staan dat zulks van rechtswege zou geschieden. Integendeel, in de MvT bij de I&I-wet is onderkend dat bestaande overeenkomsten (zoals leaseovereenkomsten) mogelijk zullen moeten worden aangepast. In de MvT bij de Won is terzake nog vermeld (en belanghebbende heeft daarop ook gewezen) dat “de overdracht van de economische eigendom tot de nodige verschuivingen van rechten en plichten kon leiden” en dat daarom artikel 10a Elektriciteitswet 1998 en artikel 3b Gaswet pas in werking zouden treden als duidelijkheid bestond over de gevolgen van de splitsing (van netbeheer en productie/leverantie/handel). De (eventuele) overgang van iets méér of anders dan de economische eigendom (zoals gedefinieerd in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet) van het netwerk op de netbeheerder is aldus met de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 (en artikel 3b Gaswet) - en de invoering van een onafhankelijk netbeheer - naar het oordeel van het Hof niet geregeld of beoogd (de in artikel VI Won ter zake van de verkrijging van de economische eigendom gemaakte uitzondering voor “de rechten van derden die voortvloeien uit of verband houden met een overeenkomst met betrekking tot dat net” bevestigt dit een en ander), zij het dat belanghebbende moet worden toegegeven dat het op zich voor de hand ligt om in een voorkomend geval met de economische eigendom van de netwerken ook de daarmee verbonden overige activa en passiva inclusief contactuele relaties etc. over te dragen. Echter, in het geval van belanghebbende is dat nu eenmaal niet gebeurd.
5.5.3. In hoeverre de voorgaande kwestie in andere rechterlijke procedures aan de orde is geweest, kan het Hof niet goed beoordelen. Wel kan worden vastgesteld dat het in de casus die in het voormelde arrest van 10 juli 2009 van de Hoge Raad aan de orde was (betreffende de precariobelasting van de gemeente Zaanstad) tussen de partijen bij die procedure niet in geschil was dat de desbetreffende ‘Exploitatie-overeenkomst’ ook gold tussen de gemeente en de netbeheerder/belanghebbende in die procedure en dat in de casus die bij de rechtbank Haarlem aan de orde was (betreffende de precariobelasting van de gemeente Bennebroek) eveneens tussen de betrokken procespartijen feitelijk vaststond dat “(…) [de betrokken belanghebbende] alle met het netbeheer samenhangende rechten en plichten (onder meer van [de rechtsopvolger van [N.V. E]]) (heeft) overgedragen gekregen”. Wat hiervan zij, deze stelling van belanghebbende is in de onderhavige procedure - nu juist - niet komen vast te staan.
5.5.4. Op grond van het vorenoverwogene faalt de stelling van belanghebbende sub 5.4.3 (i).
5.6.1. Naar het oordeel van het Hof treft ook de stelling sub 5.4.3 (ii) geen doel.
5.6.2. Het Hof stelt in dit verband voorop dat vereenzelviging van rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - slechts onder uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd kan worden geacht (vgl. Hoge Raad 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480). Zodanige omstandigheden zijn in casu naar ’s Hofs oordeel gesteld noch (overigens) aannemelijk geworden.
5.6.3. Voorts kan niet worden gezegd dat uit de in 5.5.1 genoemde wettelijke bepalingen, in verbinding met artikel 10b e.v. Elektriciteitswet 1998 dan wel artikel 2c e.v. Gaswet, volgt dat belanghebbende en [A N.V.]/[C N.V.] (belanghebbende spreekt van haar ‘asset vennootschap’), wat betreft het netbeheer en de daarmee samenhangende rechten en plichten, in rechte moeten of kunnen worden vereenzelvigd. Het argument van belanghebbende in dit verband, dat “[d]e wetgever de juridische verhouding tussen netbeheerders en de asset vennootschappen zodanig (heeft) geregeld (…) dat is gewaarborgd dat de netbeheerder zodanig over de dochter kan beschikken, dat hij de handelingen die hij zelf op grond van de wet moet verrichten, ook in eigen naam kan uitvoeren”, snijdt althans geen hout. Dat de netbeheerder als economisch eigenaar van het netwerk terzake zelfstandig en onafhankelijk van de juridisch eigenaar van het netwerk (‘in eigen naam’) kan handelen, is immers niet het gevolg van een vereenzelviging van de netbeheerder met de netwerkeigenaar maar van de verzelfstandiging van de netbeheerder tot economisch eigenaar. De omstandigheid dat artikel VI Won bepaalt dat de netbeheerder voldoet aan artikel 10a Elektriciteitswet 1998 en artikel 3b Gaswet indien “hij of een vennootschap waarin hij alle aandelen houdt, over de economische eigendom van het net beschikt”, wijst evenmin op een (door de wetgever beoogde) vereenzelviging van belanghebbende met [A N.V.]/[C N.V.].
De omstandigheden dat belanghebbende, [A N.V.] en [C N.V.] deel uitmaken van hetzelfde concern en, naar belanghebbende stelt, als economische eenheid aan het rechtsverkeer deelnemen, dat de jaarrekeningen van belanghebbende en (onder meer) [A N.V.]/[C N.V.] op het niveau van [D] N.V. worden geconsolideerd en dat [A N.V.]/[C N.V.] zijn opgenomen in de fiscale eenheid van belanghebbende voor de heffing van zowel de vennootschapsbelasting als de omzetbelasting, maakt het vorenstaande niet anders.
Overigens is het Hof van oordeel dat de bepalingen omtrent de vennootschappelijke structuur van de groep waartoe de netbeheerders behoren (artikel 10b Elektriciteitswet 1998 en artikel 2c Gaswet) veeleer zijn geschreven teneinde de strikte scheiding tussen netbeheerders en producenten/leveranciers/handelaars van elektriciteit/gas te verzekeren.
5.7. De stelling van belanghebbende sub 5.4.3 (iii), dat de bepalingen in de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst inzake het hebben van netten (steeds) moeten worden aangemerkt als derdenbeding ten behoeve van belanghebbende, verwerpt het Hof. Noch naar de tekst van die overeenkomsten, noch naar hun strekking is van een derdenbeding sprake. Evenmin vermag het Hof in te zien dat naar de aard van die overeenkomsten van een derdenbeding sprake is. Anders dan belanghebbende heeft betoogd, kan immers niet worden gezegd dat met die overeenkomsten “evident is beoogd de heffing van precariobelasting op de netten uit te sluiten”, nu gelet op de bewoordingen van onder meer artikel 11.2 van de Koopovereenkomst de contracterende partijen er kennelijk van uitgingen dat in beginsel - zij het in een later stadium - precariobelasting kon worden geheven. Weliswaar lijkt vervolgens artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst de heffing van precariobelasting - ook in de toekomst - uit te sluiten, doch uit die bepaling volgt niet dat zulks zal gelden voor een ieder die het netwerk exploiteert.
5.8. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie als de rechtbank: het primaire standpunt van belanghebbende wordt verworpen.
Gerechtshof Amsterdam 02-10-2014, nr. 13/00611

Precariobelasting 2011 gemeente Beverwijk

4.6.1. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de gemeente geen precariobelasting mocht heffen ter zake van het gebruik van het bouwterrein, omdat zij rechtens verplicht was dit gebruik toe te laten, en er dus geen sprake kon zijn van een – voor het kunnen heffen van precariobelasting noodzakelijk – gedogen. Naar de mening van belanghebbende brengen de afspraken tussen de gemeente en [D B.V.] mee dat tussen hen een verhouding ontstond die beheerst wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid, welke eisen verhinderen dat de gemeente zich tijdens de realisatie van het stadskantoor als eigenaar kon verzetten tegen gebruik van het bouwterrein door belanghebbende. Dit geldt volgens belanghebbende te meer nu het de gemeente was die om haar moverende redenen heeft aangedrongen op de keuze van de onderhavige gemeentegrond als bouwterrein en het gebruik van die gemeentegrond als bouwterrein ook publiekrechtelijk was vergund.
4.6.2. De heffingsambtenaar heeft deze stellingen betwist. Hij heeft aangevoerd, samengevat weergegeven, dat de gemeente weliswaar verplicht was het onderhavige gebruik toe te staan, maar dat deze verplichting is voortgekomen uit een door haar vrijwillig met [D B.V.] aangegane civielrechtelijke overeenkomst. Volgens de heffingsambtenaar is dit een wezenlijk andere situatie dan de uit de jurisprudentie bekende situatie waarbij een gemeente op grond van een wettelijke bepaling de bevoegdheid mist om als eigenaar tegen de aanwezigheid van voorwerpen op een terrein op te treden. De gemeente heeft niet afgezien van het in rekening brengen van een vergoeding voor de huur van het terrein en heeft, toen [D B.V.] niet bereid was gebleken tot het betalen van een huurvergoeding, precariobelasting geheven op basis van de Verordening. Daaraan kan niet afdoen dat het gebruik van het bouwterrein publiekrechtelijk was vergund.
4.6.3. In zijn brief aan partijen heeft het Hof hierover het volgende voorlopig oordeel gegeven:
De stelling van belanghebbende dat de gemeente uit hoofde van het samenstel van contractuele betrekkingen tussen haar, belanghebbende en [D B.V.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, als eigenaar van het bouwterrein gehouden was het gebruik daarvan aan belanghebbende te verschaffen, leidt naar ’s Hofs oordeel niet tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een situatie van gedogen. Uit die contractuele betrekkingen volgt namelijk niet dat de gemeente gehouden was het gebruik van het terrein om niet aan belanghebbende te verschaffen, zodat het de gemeente vrijstond om, nu geen huurovereenkomst met betrekking tot het terrein tot stand was gekomen, precariobelasting ter zake van het gebruik van het terrein te heffen.
Het Hof blijft bij dit oordeel en overweegt voorts nog dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen concluderen dat de gemeente door het gebruik maken van haar heffingsbevoegdheid in strijd is gekomen met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof neemt bij dit oordeel tot uitgangspunt – nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken – dat de bevoegdheid tot heffing van precariobelasting ter zake van gebruik van ‘voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’ bestond, en dus bekend kon zijn, ten tijde van het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst en de realisatieovereenkomsten. Dat het gebruik van het bouwterrein publiekrechtelijk was vergund, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gemeente om precariobelasting ter zake van het gebruik te heffen. Aan ’s Hofs oordeel doet voorts onvoldoende af dat [D B.V.] aanvankelijk een ander (niet voor de openbare dienst bestemd) bouwterrein op het oog had, en dat het de gemeente was die heeft aangedrongen op de uiteindelijke keuze voor het onderhavige bouwterrein.
Gerechtshof Amsterdam 15-05-2014 nr. 12/00502

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

3.1.1. Belanghebbende heeft op 23 juli 2001 de eigendom verkregen van lege HDPE-buizen en zogenoemde handholes (hierna samen: de mantelbuizen), gelegen in voor de openbare dienst bestemde grond van de gemeente. De mantelbuizen waren in de jaren 2002, 2003 en 2004 leeg, dat wil zeggen niet met (glasvezel)kabels gevuld.
3.1.2. Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het College op een daartoe namens belanghebbende ingediend verzoek ingestemd met "het aanleggen (of uitbreiden) en instandhouden van HDPE-buizen/kabels" (hierna: het instemmingsbesluit). Het instemmingsbesluit werkt terug tot 23 juli 2001. In het instemmingsbesluit is opgenomen dat het College heeft overwogen dat "het kabels betreft uitsluitend ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of omroepnetwerk of NOZEMA-omroepzendernetwerk" en "de aanvraag beperkt is tot die elementen die op basis van de Telecommunicatiewet gedoogd moeten worden".
3.1.3. Op 31 juli 2004 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor de jaren 2002 en 2003 en voor het jaar 2004 tot en met 18 mei 2004 aanslagen in de precariobelasting opgelegd voor het hebben van de mantelbuizen. De onderhavige zaak heeft betrekking op de aanslag voor het jaar 2002.
3.2.1. Voor het Hof was in geschil of van belanghebbende over de jaren 2002 en 2003 en het jaar 2004 tot en met 18 mei 2004 precariobelasting mag worden geheven voor het hebben van de mantelbuizen in grond van de gemeente.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat voor die heffing geen plaats is omdat de gemeente toen op grond van de Telecommunicatiewet (tekst tot en met 18 mei 2004, hierna: de TW) een gedoogverplichting had ten aanzien van de mantelbuizen.
3.3.1. Precariobelasting ter zake van de mantelbuizen kan naar de strekking van artikel 228 van de Gemeentewet alleen worden geheven indien de gemeente de aanwezigheid van die buizen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond veroorlooft of toestaat. Van zo'n veroorloven of toestaan is geen sprake indien de gemeente rechtens de bevoegdheid mist om als eigenaar van de grond tegen die aanwezigheid op te treden (vgl. HR 14 september 2007, nr. 41467, LJN BB3437, BNB 2007/290).
3.3.2. Het eerste middel betoogt onder meer dat 's Hofs in 3.2.2 bedoelde oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat de gedoogplicht van artikel 5.1 van de TW tot en met 18 mei 2004 geen betrekking had op lege mantelbuizen.
3.3.3. In het middel ligt terecht het uitgangspunt besloten dat de gemeente tot en met 18 mei 2004 rechtens niet bevoegd was op te treden tegen het hebben van de mantelbuizen indien de gedoogplicht van artikel 5.1 van de TW toen mede betrekking had op lege mantelbuizen als de onderhavige.
3.3.4. Op grond van artikel 5.1 van de TW was de gemeente tot en met 18 mei 2004, behoudens het bepaalde in artikel 5.2 van de TW, verplicht de aanleg en instandhouding van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op openbare gronden te gedogen. Op grond van zijn in cassatie niet bestreden vaststelling dat de mantelbuizen ondersteuningswerken of beschermingswerken van (glasvezel)kabels zijn in de zin van artikel 1.1, aanhef en letter r, van de TW is het Hof terecht ervan uitgegaan dat mantelbuizen op zichzelf zijn aan te merken als "kabels" in de zin van die bepaling.
3.3.5. Het middel betoogt dat de mantelbuizen niettemin geen kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk in de zin van artikel 5.1 van de TW zijn omdat zij destijds niet met (glasvezel)kabels waren gevuld. Dit betoog miskent dat (1) belanghebbende een aanbieder is in de zin van de TW aan wie het in 3.1.2 bedoelde instemmingsbesluit is verleend, dat (2) het instemmingsbesluit mede betrekking heeft op de mantelbuizen en dat (3) die mantelbuizen daarin zijn aangemerkt als kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatiewerk in de zin van de TW. Aldus geeft 's Hofs oordeel dat de mantelbuizen kabels zijn ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre kan het eerste middel niet tot cassatie leiden.
3.3.6. Het eerste middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3.7. Aangezien het in 3.2.2 bedoelde oordeel 's Hofs uitspraak zelfstandig draagt en het daartegen gerichte eerste middel niet tot cassatie kan leiden, behoeft het tweede middel geen bespreking.
Hoge Raad 15-03-2013, nr. 11/05404

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.1. De beoordeling van de rechtmatigheid van een aanslag die voor een bepaald heffingstijdvak is opgelegd, geschiedt behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, aan de hand van de voor dat tijdvak geldende wettelijke bepalingen inzake de heffing van de desbetreffende belasting. Voor de heffing over het tijdvak in 2002 respectievelijk het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2003 en het tijdvak 1 januari 2004 tot 19 mei 2004 dient uitgegaan te worden van de Telecommunicatiewet zoals deze wet gold in die perioden.
8.2. De Telecommunicatiewet zoals deze luidt na de wijziging bij Wet van 22 april 2004, Stb. 189 (inwerkingtreding 19 mei 2004) en na de wijziging bij Wet van 6 december 2006, Stb. 2007, 16 (inwerkingtreding 1 februari 2007) heeft geen terugwerkende kracht gekregen die zich uitstrekt tot de in het geding zijnde heffingstijdvakken.
8.3. De rechtbank heeft – in navolging van eerdere uitspraken van dit Hof - overwogen dat de gemeente de gedoogplicht heeft ten aanzien van de onderwerpelijke mantelbuizen die belanghebbende als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk in de grond heeft. Er is geen reden de mantelbuizen niet te rekenen tot de (beschermingswerken van de) kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Onder die omstandigheden is, gelet op de in artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet neergelegde gedoogverplichting van kabels en beschermingswerken, voor heffing van precariobelasting in de onderhavige tijdvakken geen plaats.
Gerechtshof Den Haag 06-02-2013, nrs. BK-12/00213 tot en met BK-12/00215

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.1. De beoordeling van de rechtmatigheid van een aanslag die voor een bepaald heffingstijdvak is opgelegd, geschiedt behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, aan de hand van de voor dat tijdvak geldende wettelijke bepalingen inzake de heffing van de desbetreffende belasting. Voor de heffing over het tijdvak in 2002 respectievelijk het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2003 en het tijdvak 1 januari 2004 tot 19 mei 2004 dient uitgegaan te worden van de Telecommunicatiewet zoals deze wet gold in die perioden.
8.2. De Telecommunicatiewet zoals deze luidt na de wijziging bij Wet van 22 april 2004, Stb. 189 (inwerkingtreding 19 mei 2004) en na de wijziging bij Wet van 6 december 2006, Stb. 2007, 16 (inwerkingtreding 1 februari 2007) heeft geen terugwerkende kracht gekregen die zich uitstrekt tot de in het geding zijnde heffingstijdvakken.
8.3. De rechtbank heeft - in navolging van eerdere uitspraken van dit Hof - overwogen dat de gemeente de gedoogplicht heeft ten aanzien van de onderwerpelijke mantelbuizen die belanghebbende als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk in de grond heeft. Er is geen reden de mantelbuizen en de handholes niet te rekenen tot de (beschermingswerken van de) kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Onder die omstandigheden is, gelet op de in artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet neergelegde gedoogverplichting van kabels en beschermingswerken, voor heffing van precariobelasting in de onderhavige tijdvakken geen plaats.
Gerechtshof Den Haag 06-02-2013, nrs. BK-12/00234 tot en met BK-12/00236

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.1. De beoordeling van de rechtmatigheid van een aanslag die voor een bepaald heffingstijdvak is opgelegd, geschiedt behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, aan de hand van de voor dat tijdvak geldende wettelijke bepalingen inzake de heffing van de desbetreffende belasting. Voor de heffing over het tijdvak in 2002 respectievelijk het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2003 en het tijdvak 1 januari 2004 tot 19 mei 2004 dient uitgegaan te worden van de Telecommunicatiewet zoals deze wet gold in die perioden.
8.2. De Telecommunicatiewet zoals deze luidt na de wijziging bij Wet van 22 april 2004, Stb. 189 (inwerkingtreding 19 mei 2004) en na de wijziging bij Wet van 6 december 2006, Stb. 2007, 16 (inwerkingtreding 1 februari 2007) heeft geen terugwerkende kracht gekregen die zich uitstrekt tot de in het geding zijnde heffingstijdvakken.
8.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de gemeente de gedoogplicht heeft ten aanzien van de onderwerpelijke mantelbuizen die belanghebbende als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk in de grond heeft. Er is geen reden de mantelbuizen niet te rekenen tot de (beschermingswerken van de) kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Onder die omstandigheden is, gelet op de in artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet neergelegde gedoogverplichting van kabels en beschermingswerken, voor heffing van precariobelasting in de onderhavige tijdvakken geen plaats.
Gerechtshof Den Haag 25-01-2013, nr. BK-12-00216 tot en met BK-12-00218

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

3.5.3. Voor het geval moet worden aangenomen dat de grond onder de dammen geheel of ten dele eigendom is van het hoogheemraadschap, voert het tweede middel aan dat die dammen de enige uitwegen zijn uit de percelen van belanghebbende en het hebben van die dammen daarom niet mag worden verboden. In zoverre kan het tweede middel evenmin tot cassatie leiden. Ook indien die dammen de enige uitweg voor belanghebbende zijn, staat die enkele omstandigheid niet aan heffing van precariobelasting in de weg.
Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/00711

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

8.2. Belanghebbende is eigenaar van de dammen en derhalve bevoegd alle daaruit voortvloeiende rechten uit te oefenen, zoals het gaan over de dammen, en gehouden alle daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, zoals het onderhoud van de dammen.
8.3. In het oordeel gegeven hiervoor onder 8.1.3 ligt besloten dat de dammen van belanghebbende zich deels boven grond in eigendom van het schap bevinden. Enige gehoudenheid rechtens van het schap om (het gebruik van) de dammen te gedogen komt niet aan de orde, omdat deze eigendom van belanghebbende zijn en de bevoegdheid tot het hebben van en gebruik van de dammen daaruit voortvloeit, zoals is overwogen onder 8.2. Het schap is dus bevoegd precariobelasting te heffen wegens de aanwezigheid van de dammen op de haar toebehorende grond, zijnde de ondergrond van die dammen.
Gerechtshof 's-Gravenhage 30-12-2011, nr. 10/00710. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen, Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/00711.

VERHINDERT EEN OVEREENKOMST PRECARIOHEFFING?

Precariobelasting 2014 gemeente Voorst

4.4.1. Volgens belanghebbende 1 heeft zij op grond van de in onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank vermelde overeenkomsten (hierna: de overeenkomsten) civielrechtelijk een ligrecht voor haar kabels en leidingen, op grond waarvan de gemeente verplicht is de aanwezigheid van die kabels/leidingen te gedogen. Bovendien is in de overeenkomsten bepaald dat het recht om kabels/leidingen in de gemeentegrond te hebben kosteloos is. Het is de gemeente derhalve niet toegestaan precariobelasting te heffen.
4.4.2. De heffingsambtenaar betwist dat belanghebbende 1 rechten aan de overeenkomsten kan ontlenen omdat die overeenkomsten noch met haar, noch met een rechtsvoorganger van haar zijn aangegaan; de heffingsambtenaar wijst in dit verband op (onder meer) het arrest BNB 2016/209.
4.4.3. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende 1 geen rechten aan de overeenkomsten ontlenen. Voor zover nodig wijst het Hof in dit verband mede op hetgeen is overwogen in de uitspraken Hof Amsterdam 21 september 2017, ECLI:NL:GHAMS: 2017: 3990 en Hof Amsterdam 21 september 2017, ECLI:NL:GHAMS: 2017:4039, waaruit onder meer volgt dat indien en voor zover de overeenkomsten een contractueel gedoogrecht inhouden, uitsluitend degene die bij die overeenkomsten partij was daarop tegenover de gemeente een beroep kan doen.
Weliswaar kan belanghebbende 2 wel rechten aan de overeenkomsten ontlenen, maar aan haar is de aanslag niet opgelegd en is zij, zoals hiervoor is overwogen, ook niet ontvankelijk in haar beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag.
Hetgeen hiervoor is overwogen houdt in dat het Hof voorbij kan gaan aan de door belanghebbende 1 opgeworpen vraag of de gemeente de overeenkomsten heeft kunnen opzeggen.
4.3.3.2. Overigens zou ook toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening tot de conclusie leiden dat belanghebbende 1 terecht als belastingplichtige is aangemerkt. De tekst van die bepaling biedt onvoldoende steun voor de lezing van belanghebbende 1, als zou deze uitsluitend betrekking hebben op gevallen waarin niet op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen (terwijl volgens belanghebbende 1 zij wel op grond van artikel 10, negende lid, Elektriciteitswet als netbeheerder is aangewezen, zij het niet door de Minister). Naar het oordeel van het Hof heeft artikel 3, tweede lid, Verordening het karakter van een vangnetbepaling, welke erin voorziet dat belanghebbende 1 de belastingplichtige is als degene die de kabels en/of leidingen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, ook in het geval er – strikt genomen – geen aanwijzing als netbeheerder door de Minister zou zijn.
Hof Amsterdam 12-06-2018, nr. 17/00265

Precariobelasting 2013 gemeente Muiden (thans Gooise Meren)

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 1 en 3 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’).
De burgemeester van de gemeente Muiden en de directie van [bedrijf-1] hebben op 3 augustus 1943 een regeling getroffen omtrent de wijze waarop het elektriciteitsbedrijf in de gemeente Muiden zal worden geëxploiteerd (hierna: de Regeling 1943).
3.1. Op grond van artikel 1 van de Regeling 1943 - samengevat - is [bedrijf-1] gerechtigd om in, op of over de gemeentegrond kabels en leidingen en toebehoren te hebben, in stand te houden, te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen, zonder dat [bedrijf-1] daarvoor een vergoeding aan de gemeente Muiden verschuldigd zal zijn.
3.2. Artikel 7 van de Regeling 1943, voor zover hier van belang, bepaalt dat de Regeling 1943 van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie ingetrokken of vervallen verklaard wordt dan wel vervalt, of waarop zij in die zin wordt gewijzigd, dat het gebied der Gemeente aan het concessiegebied der Provincie wordt onttrokken.”
2.2. Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.
2.3.1. Belanghebbende exploiteert als ‘netbeheerder’ in de zin van artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en van artikel 2, eerste lid, van de Gaswet, een elektriciteits- en gasnetwerk in onder meer de gemeente Muiden. Zij beheert de onder, op of boven de gemeentegrond aanwezige netten die worden gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit en gas aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de gemeente.
2.3.2. Belanghebbende is economisch eigenaar van de desbetreffende netwerken, welke in juridische eigendom toebehoren aan haar 100% dochtervennootschap [bedrijf-2] (hierna: [bedrijf-2] ).
2.3.3. De aandelen van belanghebbende worden alle gehouden door [bedrijf-3] Het [bedrijf-3] -concern droeg tot 1 juli 2009 de naam ‘ [bedrijf-4] ’. Het is ontstaan na diverse overnames en juridische fusies, gevolgd door (diverse) naamswijzigingen van de betrokken vennootschappen. De vennootschappen [bedrijf-5] (hierna: [bedrijf-5] ), [bedrijf-6] (hierna: [bedrijf-6] ) en [bedrijf-7] (hierna: [bedrijf-7] ) zijn uiteindelijk overgenomen door dan wel opgegaan in een of meer tot het [bedrijf-3] -concern behorende vennootschappen.
2.3.4. De gemeente Muiden (hierna: de Gemeente) en andere verkopende partijen (alle zijnde gemeenten, waaronder ook de gemeenten Naarden en Blaricum) hebben op 15 maart 1999 een koop-/verkoopovereenkomst (hierna: de Koopovereenkomst) inzake alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf-6] gesloten met [bedrijf-7] als koper. In artikel 11.2 van de Koopovereenkomst is onder meer bepaald, kort gezegd, dat de verkopers gedurende een periode van tien jaar na de levering van de aandelen [bedrijf-6] het door ieder van hen gevoerde beleid ter zake van de heffing van precariorechten, zoals vastgelegd in Bijlage 8, ongewijzigd zullen voortzetten en dat het [bedrijf-6] , mocht een verkopende partij na afloop van die periode besluiten om alsnog over te gaan tot het heffen van (meer) precario, alsdan vrij zal staan om die lasten door te berekenen in haar tarieven voor het verbruik van elektriciteit en aardgas of in haar algemene tarieven. De genoemde Bijlage 8 bepaalt:
“Beleid heffing precario: er wordt door geen van Verkopers precario van [ [bedrijf-6] ] geheven”.
2.3.5. Ter uitvoering van bepalingen in de Koopovereenkomst heeft de Gemeente vervolgens, in maart 1999, een infrastructuurovereenkomst (hierna: de Infrastructuur-overeenkomst) gesloten met [bedrijf-6] , welke voorziet in de wijze waarop de infrastructuur ten behoeve van gas- en elektriciteitsdistributie (hierna: het Distributienet) in de Gemeente wordt geëxploiteerd. Artikel 1 van de Infrastructuurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Rechten in verband met de exploitatie van het Distributienet
1.1 De Gemeente verleent hierbij aan [bedrijf-6] toestemming voor het gebruik maken van gemeentelijke gronden dan wel eigendommen van derden welke een openbare bestemming hebben, voorzover de Gemeente daarvoor op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning kan verlenen, en voorzover dat gebruik bestaat uit het (doen) aanleggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen, aanbrengen, wijzigen, uitbreiden, exploiteren, herstellen en verwijderen van (onderdelen van) het Distributienet, onder de voorwaarden als vervat in alle ter plaatse toepasselijke voorschriften, opgenomen in relevante wet- en regelgeving, zoals van tijd tot tijd al dan niet gewijzigd van kracht.
4.2. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, beroepen op de volgende gronden. De in 4.2.1 en 4.2.3 vermelde gronden zijn voor het eerst in hoger beroep aangevoerd:
4.2.2. Op grond van de Regeling 1943 is de gemeente niet bevoegd tot het heffen van precariobelasting ter zake van het elektriciteitsnet.
4.2.3. Op grond van de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst is de gemeente niet bevoegd tot het heffen van precariobelasting ter zake van het elektriciteitsnet en het gasnet (hierna tezamen ook aangeduid als: de nutsleidingen).
Staat de Regeling 1943 aan heffing in de weg?
4.4.2. Beroepsgrond 4.2.2 faalt op de door de rechtbank in onderdeel 4.1 van haar uitspraak vermelde gronden, waarmee het Hof zich verenigt onder verwijzing naar zijn uitspraken van 3 maart 2016, nr. 15/00573, ECLI:NL:GHAMS:2016:928, rechtsoverwegingen 4.1.3.1 tot en met 4.1.3.9 (gemeente Haarlemmermeer) en van 21 maart 2017, nr. 16/00289, ECLI:NL:GHAMS:2017:1500, rechtsoverwegingen 5.3.1.1 tot en met 5.3.9 (gemeente Naarden). Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die tot gevolg zouden kunnen hebben dat de onderhavige Regeling 1943, anders dan de historische regelingen die aan de orde waren in de procedures tussen belanghebbende en de gemeenten Haarlemmermeer en Naarden, in het onderhavige jaar nog gelding had.
Staan de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst, en/of (een aanspraak op) een zakelijk recht aan heffing in de weg?
4.4.3.1. Bij de beoordeling van beroepsgrond 4.2.3 neemt het Hof tot uitgangspunt dat – naar belanghebbende tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt – [bedrijf-2] de rechtsopvolger onder algemene titel is van [bedrijf-6].
4.4.3.2. Op overeenkomstige gronden als het Hof heeft gebezigd in zijn uitspraken van 2 oktober 2014, nr. 13/00611, ECLI:NL:GHAMS:2016:4182, rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.8 (gemeente Blaricum) en van 21 maart 2017, nr. 16/00289, ECLI:NL:GHAMS:2017:1500, rechtsoverwegingen 5.2.1.1 tot en met 5.2.6.3 (gemeente Naarden) oordeelt het Hof dat belanghebbende niet de rechtsopvolger is van [bedrijf-6] en dat ook overigens de gemeente niet jegens belanghebbende gebonden is aan de bepalingen van de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst. Beroepsgrond 4.2.3 faalt in zoverre.
4.4.3.3. Voor zover belanghebbende zich beroept op een uit de Infrastructuurovereenkomst voortvloeiende (aanspraak op) een zakelijk recht op de netwerken, verwerpt het Hof dat beroep op overeenkomstige gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.8 van haar hoger vermelde uitspraak in de zaak van de gemeente Naarden. Niet valt in te zien dat de in 2.5 vermelde brief van 30 augustus 2016 daar nog aan toe- of afdoet. Beroepsgrond 4.2.3 faalt ook in zoverre.
4.4.3.4. Bij het voorgaande is in aanmerking te nemen dat de gemeenten Muiden, Naarden en Blaricum behoorden tot de ondertekenaars van de Koopovereenkomst en dat de door deze gemeenten met [bedrijf-6] gesloten Infrastructuurovereenkomsten op de relevante punten gelijkluidend zijn.
4.4.3.5. Voorts is daarbij in aanmerking te nemen dat belanghebbende in de onderhavige procedure ter onderbouwing van de onderhavige beroepsgrond geen argumenten heeft gebezigd die zij niet reeds in haar procedure tegen de gemeente Naarden had aangevoerd. Voor de duidelijkheid merkt het Hof daarbij op dat de onderhavige Verordening niet een vrijstelling bevat als de in artikel 4, onderdeel c, van de relevante verordening van de gemeente Naarden opgenomen vrijstelling voor door de gemeente – kort gezegd – ‘te gedogen’ voorwerpen, op welke vrijstelling belanghebbende zich tegenover de gemeente Naarden naast en ter versterking van haar beroep op de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst – doch overigens ook in zoverre tevergeefs – heeft beroepen.
Hof Amsterdam 05-09-2017, nr. 16/00529

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

Kan belanghebbende aan de Koopovereenkomst, de Infrastructuurovereenkomst en de Regeling rechten ontlenen.
5.2.1.1. Belanghebbende heeft – subsidiair, ervan uitgaande dat zij de belastingplichtige is – gesteld dat zij zich op de Infrastructuurovereenkomst en de Regeling kan beroepen en dat die overeenkomst en de Regeling aan de heffing van precariobelasting in de weg staan.
5.2.1.2. Aan artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel c, van de Verordening ontleent belanghebbende dat er voor de gemeente een gedoogplicht bestaat die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft belanghebbende in deze stelling gevolgd. Gelet op het arrest moet echter (nader) worden onderzocht (a) of belanghebbende rechten aan de Infrastructuurovereenkomst kan ontlenen (het arrest, r.o. 2.5.2) en voorts (b) of de gemeente op grond van een overeenkomst als eigenaar van de grond moet gedogen dat belanghebbende voorwerpen op, onder of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, in welk geval er een contractuele gedoogplicht aanwezig is die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat (het arrest, r.o. 2.5.4, laatste volzin).
De hiervoor bedoelde contractuele gedoogplicht volgt overigens niet reeds uit artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst (het arrest, r.o. 2.5.4, eerste t/m voorlaatste volzin).
5.2.3. In 5.2.4 tot en met 5.2.6 zal het Hof beoordelen of belanghebbende rechten aan de Koopovereenkomst, de Infrastructuurovereenkomst (hierna: de overeenkomsten) kan ontlenen (vraag (a) als vermeld onder 5.2.1.2) en of zij aan de Regeling rechten kan ontlenen.
In onderdeel 5.3.1 e.v. zal het Hof beoordelen of de Regeling, zo al belanghebbende daar rechten aan zou kunnen ontlenen, voor het onderhavige jaar nog gelding heeft.
In onderdeel 5.4.1 e.v. zal het Hof beoordelen of er in 2012 voor de gemeente een gedoogplicht aanwezig is die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat (vraag (b) als vermeld onder 5.2.1.2). (…)
5.2.6.1. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat de aan de overeenkomsten te ontlenen rechten door [G] N.V., [H] N.V. dan wel een rechtsvoorganger van deze vennootschappen aan belanghebbende zijn overgedragen. De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet en de bij de totstandkoming van die wetten gegeven toelichtingen hebben de overgang van die rechten evenmin bewerkstelligd (verg. HR 24 juni 2016, nr. 14/05718, ECLI:NL:HR:2016:1270, BNB 2016/209, r.o. 2.3.1 en 2.3.2). Mitsdien kan belanghebbende geen beroep doen op de overeenkomsten.
5.2.6.2. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat de aan de Regeling te ontlenen rechten door [G] N.V., [H] N.V. dan wel een rechtsvoorganger van deze vennootschappen aan belanghebbende zijn overgedragen. Ook in dit verband geldt dat een overgang van die rechten niet is bewerkstelligd door de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet en de bij de totstandkoming van die wetten gegeven toelichtingen. In dit verband kan verder in het midden blijven of de Regeling en daaraan te ontlenen rechten, als gesteld door belanghebbende, tot de activa heeft behoord van [D] welke bij de oprichting van N.V. [D] in 1990 op die vennootschap zijn overgegaan.
5.2.6.3. Het Hof concludeert derhalve dat belanghebbende aan de overeenkomsten, afgezien van hetgeen hierna onder 5.4.1 e.v. wordt overwogen, en aan de Regeling geen rechten kan ontlenen.
Heeft de Regeling nog gelding
5.3.1.1. Tussen partijen is voorts in geschil of de Regeling in het onderhavige jaar nog gelding heeft. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, omdat deze van rechtswege is geëindigd, nu voldaan is aan de op dit punt in artikel 7 van de Regeling opgenomen voorwaarde dat de Rijksconcessie is vervallen.
5.3.1.2. Volgens belanghebbende volgt noch uit de wetsgeschiedenis van de Elektriciteitswet 1989, Wet van 16 november 1989, Stb. 535, noch uit die wet zelf, dat de Rijksconcessie met de invoering van die wet is vervallen. Dat dit niet het geval is geweest leidt belanghebbende mede af uit de omstandigheid dat de Rijksconcessies in de wetsgeschiedenis van de Wet Energiedistributie, Wet van 14 december 1996, Stb. 642, volgens haar nog ‘veelvuldig’ aan de orde komen. Bovendien is de Rijksconcessie volgens belanghebbende nooit ingetrokken.
5.3.2. In de aanhef van de Regeling is verwezen naar de Rijksconcessie. In artikel 7 van de Regeling is vermeld dat de Regeling van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop die Rijksconcessie wordt ingetrokken, vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt. (…)
5.3.7. Met de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie is voor het eerst een uitputtende wettelijke regeling tot stand gekomen van de productie en distributie van elektriciteit in Nederland. Deze regeling voorziet in een exclusieve bevoegdheid voor de rijksoverheid (de Minister van Economische Zaken) om planmatig beleid te vormen ter zake van – op afstand van de overheid – door private partijen op te wekken en te distribueren elektriciteit.
Deze wettelijke regeling – men spreekt in dit verband ook wel van een vergunningenstelsel – kwam in de plaats van ‘allerlei formele en informele regelingen’ die vóór 1989 golden en waartoe, naar het Hof begrijpt, ook de Rijksconcessies moeten worden gerekend, vergelijk Handelingen II, 10 november 1988, TK 22, p. 1151 rk. Voor de lokale overheden is in het kader van de (nieuwe) wettelijke regeling op het terrein van de (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van energie geen rol meer weggelegd. Daarmee is aan de Rijksconcessies functie en betekenis komen te ontvallen. De enkele omstandigheid dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, de Rijksconcessie de Regeling in stand houdt maakt dit, nog afgezien van hetgeen in artikel 7 van de Regeling is bepaald, niet anders.
Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 1998, nr. H01970074/ Q01, ECLI:NL: RVS:1998: AN5671, AB 1998, 261, met noot van M. Schreuder-Vlasblom, alsmede D.L.M.T. Dankers-Hagenaars, Op het spoor van de concessie, Boom Juridische uitgevers, 2000, p. 49.
5.3.8. De vraag is nu wat de invoering van de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie betekent voor de Rijksconcessie die in de Regeling is vermeld. Of deze concessie formeel op enig moment is ingetrokken is niet geheel duidelijk. Vaststaat dat (ook) in de onderhavige zaak geen der partijen een kopie of afschrift van de in artikel 7 van de Regeling bedoelde Rijksconcessie heeft kunnen overleggen, in welke omstandigheid het aan de Rijksconcessie ontvallen van de functie ervan – zo al niet het vervallen ervan – bevestiging lijkt te vinden.
5.3.9. Uit artikel 7 van de Regeling blijkt dat deze ‘van rechtswege eindigt’ op het tijdstip waarop de Rijksconcessie ‘ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt’. Op grond van deze ruime formulering, bezien ook tegen de achtergrond van de reeds ten tijde van de totstandkoming van de Regeling bestaande onduidelijkheid omtrent de wettelijke grondslag van de Rijksconcessies, acht het Hof het aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de Regeling de bedoeling is geweest van het College en [D] om de Regeling niet meer te laten gelden indien aan de Rijksconcessie de functie zou zijn komen te ontvallen, ongeacht de vraag of het dan ook tot een formele intrekking van die concessie zou zijn gekomen.
Het Hof concludeert derhalve dat de Regeling voor het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, zodat deze ook overigens niet aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting in de weg kan staan.
Gerechtshof Amsterdam 21-03-2017, nr. 16/00289. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 05-01-2018, nr. 17/02184. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 05-01-2018, nr. 17/02184.

Precariobelasting 2013 gemeente Roermond, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (BSGW)

4.4. Uit de onder 2.3 vastgestelde feiten volgt, dat in 1997 is besloten af te zien van de heffing van precariobelasting nadat bij overeenkomst van belanghebbende een vergoeding zou zijn bedongen, zodat de in toenmalige verordening onder artikel 7, sub a opgenomen vrijstelling van precariobelasting zou gelden.
4.5. Belanghebbende stelt dat de onder 4.4 bedoelde overeenkomst tot stand is gekomen en dat op grond van die overeenkomst zij voor het onderhavige jaar is vrijgesteld van precariobelasting op grond van artikel 4, aanhef, onderdeel a van de precarioverordening.
4.6. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat (bij overeenkomst) een vergoeding van belanghebbende is bedongen. Ook met de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001 heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een overeenkomst, waarbij van belanghebbende een vergoeding is bedongen, tot stand is gekomen. In die brief wordt slechts vermeld, dat geen precario ‘verrekend’ zal worden, maar de reden waarom dit niet gebeurt blijkt er niet uit. Ook het feit, dat belanghebbende sinds 1997 geen vergoeding aan de gemeente Roermond heeft betaald, wijst erop dat nimmer zo’n overeenkomst tot stand is gekomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-09-2016, nr. 15/00702

Precariobelasting 2012 gemeente Haarlemmermeer

4.2.2.3. Belanghebbende beroept zich voorts op artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening precariobelasting 2012 van de gemeente (hierna: de Verordening), waarin het volgende is bepaald: “De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: (…)
a. voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden (…) een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.”
Volgens belanghebbende heeft deze bepaling ook op haar betrekking, omdat zij het is die ‘voorwerpen heeft’ als bedoeld in die bepaling. Nu de gemeente ter zake daarvan door middel van de Regeling een vergoeding (van nihil) is overeengekomen, kan belanghebbende een beroep doen op de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening. Belanghebbende verwijst in dit verband voorts op de toelichting (p. 14) van de voor 2013 geldende Modelverordening precariobelasting.
4.2.4.3. Het hiervoor overwogene houdt tevens in dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening niet van toepassing is. Voor zover al met de Regeling privaatrechtelijk een vergoeding is overeengekomen, mist artikel 4, aanhef en onderdeel a, Verordening ten aanzien van belanghebbende toepassing, nu niet zij, maar uitsluitend (een rechtsopvolger van) [B 2] aan die regeling enig recht kan ontlenen. Bovendien kan het niet verschuldigd zijn van een vergoeding, als vermeld in artikel 1 van de Regeling, bezwaarlijk als een overeengekomen vergoeding worden aangemerkt in de zin van artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Verordening, nu die bepaling kennelijk de strekking heeft ‘dubbele lasten’ ter zake van (in essentie) hetzelfde feit te voorkomen.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00573

Precariobelasting 2013 gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude

4.2.2.3. Belanghebbende beroept zich voorts op artikel 4, aanhef en onderdeel b, van de Verordening precariobelasting 2013 van de gemeente (hierna: de Verordening), waarin het volgende is bepaald: “De precariobelasting wordt niet geheven van het hebben van: (…) b. voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden (…) een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.”
Volgens belanghebbende heeft deze bepaling ook op haar betrekking, omdat zij het is die ‘voorwerpen heeft’ als bedoeld in die bepaling. Nu de gemeente ter zake daarvan dor middel van de Regeling een vergoeding (van nihil) is overeengekomen, kan belanghebbende een beroep doen op de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel b, van de Verordening. Belanghebbende verwijst in dit verband voorts op de toelichting (p. 14) van de voor 2013 geldende Modelverordening precariobelasting.
4.2.4.3. Het hiervoor overwogene houdt tevens in dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel b, van de Verordening niet van toepassing is. Voor zover al met de Regeling privaatrechtelijk een vergoeding is overeengekomen, mist artikel 4, aanhef en onderdeel b, Verordening ten aanzien van belanghebbende toepassing, nu niet zij, maar uitsluitend [C] dan wel een rechtsopvolger van [C] aan die regeling enig recht kan ontlenen. Bovendien kan het niet verschuldigd zijn van een vergoeding, als vermeld in artikel 1 van de Regeling, bezwaarlijk als een overeengekomen vergoeding worden aangemerkt in de zin van artikel 4, aanhef en onderdeel b, van de Verordening, nu die bepaling kennelijk de strekking heeft ‘dubbele lasten’ ter zake van (in essentie) hetzelfde feit te voorkomen.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00560

Privaatrechtelijke gebruiksregeling hoogheemraadschap van Rijnland

3.1 Rijnland heeft zich in zijn ‘memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel’ (hierna: MvA/MvG-inc) op het standpunt gesteld dat het aanbieden van een privaatrechtelijke gebruiksregeling geen onaanvaardbare doorkruising vormt van de regeling van artikel 114 Waterschapswet. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat in artikel 4 sub a van de VNG Modelverordening precariobelasting is aangegeven dat geen precariobelasting wordt geheven ter zake van voorwerpen indien daarvoor een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen (punt 2.99 MvA/MvG-inc).
3.2 Kenmerk van de precariobelasting is dat de bevoegdheid tot heffing daarvan pas bestaat wanneer het desbetreffende openbare lichaam (waterschap, gemeente) bevoegd is om als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, het hebben van voorwerpen onder, op of boven zijn grond te verbieden en dat dat lichaam (mitsdien) geen precariobelasting kan heffen wanneer het als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, verplicht is om het hebben van voorwerpen onder, op of boven zijn grond toe te laten (…). Wanneer het lichaam bijvoorbeeld een huurovereenkomst heeft gesloten met degene die het voorwerp onder, op of boven zijn grond heeft, is dat lichaam in privaatrechtelijke zin verplicht om dat voorwerp onder, op of boven zijn grond toe te staan – er is een gedoogplicht – en kan geen precariobelasting worden geheven. Aangezien de mogelijkheid van het heffen van precariobelasting derhalve afhankelijk is van de privaatrechtelijke situatie en deze belasting een vangnetfunctie vervult, kan het toepassen of aanbieden van een privaatrechtelijke gebruiksregeling uit de aard der zaak geen onaanvaardbare doorkruising van de regeling van de precariobelasting opleveren. Het voormelde standpunt van Rijnland is dus juist, en zijn verwijzing naar artikel 4 sub a van de VNG Modelverordening precariobelasting doeltreffend. Het feit dat bij het vaststellen van precario een andere rechtsbescherming bestaat, heeft voor de vraag of sprake is van onaanvaardbare doorkruising in dit geval geen relevantie.
Gerechtshof Den Haag 17-02-2015, nr. 200.140.429-01

Precariobelasting 2013 gemeente Roermond, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (BSGW)

1.1.De gemeente Roermond is op 4 juli 1995 met eiseres (destijds nog: [eiseres] in oprichting) overeengekomen dat eerstgenoemde de schouwburg en het zalencentrum aan [adres] te Roermond voor een bedrag van ƒ 1,= aan laatstgenoemde verkoopt. Blijkens deze overeenkomst is eiseres op straffe van een boete gedurende vijfentwintig jaar verplicht het theater als schouwburg in stand te houden en te (doen) exploiteren. De gemeente heeft zich jegens eiseres verplicht tot een eenmalige bijdrage van ƒ 15.000.000,= in het te verwachten negatieve exploitatieresultaat van het theater.
1.2. Op 20 oktober 1997 heeft het bureau Economische Zaken van de gemeente Roermond aan het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente (het college) geadviseerd om (onder meer) eiseres op grond van de toenmalige precarioverordening vrij te stellen van de heffing van precariobelasting voor de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van theatervoorstellingen omdat in zijn optiek sprake is van voorwerpen die uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijke of daarmede gelijk te stellen instellingen met ideële motieven. Het college heeft hierop op 28 oktober 1997 besloten om nader advies in te winnen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
1.3. De afdeling Financiën van de gemeente Roermond heeft, na overleg met de VNG, op 11 november 1997 eveneens aan het college geadviseerd om aan eiseres vrijstelling te verlenen van de heffing van precariobelasting, zij het niet op grond van het ontbreken van commerciële doeleinden. Zij adviseert vrijstelling te verlenen op grond van een in de toenmalige precarioverordening opgenomen vrijstelling voor het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen (artikel 7 onder a), nadat met eiseres een overeenkomst hierover is gesloten. Het college heeft zich in haar vergadering van 18 november 1997 akkoord verklaard met het voorstel van de afdeling Financiën onder de voorwaarde dat in de overeenkomst wordt vastgelegd dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor voorstellingen van culturele aard, zowel professioneel als door amateurs.
1.4. Verweerder heeft eiseres gedurende zeventien jaren (1996 tot en met 2012) niet betrokken in de precariobelasting. In de besluiten die zien op de vergunningverlening aan eiseres voor het plaatsen van de driehoeksborden over de theaterseizoenen beginnend op 27 september 2006 en eindigend op 1 juni 2011 is opgenomen dat eiseres op grond van de precarioverordening geen precariobelasting is verschuldigd. In de besluiten over de seizoenen van 1 juli 2011 tot en met 31 mei 2013 is hierover weliswaar niets opgenomen, maar aan eiseres zijn toen geen aanslagen opgelegd. Over het belastingjaar 2007 heeft verweerder in eerste instantie wel aan eiseres een aanslag precariobelasting opgelegd voor het plaatsen van de driehoeksborden. Deze aanslag heeft verweerder niet gehandhaafd, omdat – zo stelt verweerder – hij destijds er ten onrechte van uit zal zijn gegaan dat eiseres valt onder de vrijstelling voor niet-commerciële instellingen.
1.6. Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder aan eiseres voor de periode 1 september 2013 tot en met 1 juni 2014 een vergunning verleend voor het plaatsen van 640 driehoeksborden (1.920 affiches) rond lichtmasten die staan langs wegen die bij de gemeente in beheer zijn. In deze vergunning is voor zover thans relevant het volgende opgenomen:
“Precario
Krachtens het bepaalde in de precarioverordening bent u voor het hebben van voorwerpen op gemeentegrond een precariorecht van € 8.524,80 verschuldigd. In de aan u toe te zenden nota staan naast de legeskosten eveneens de precariobelasting vermeld. Een bezwaarschrift tegen de legeskosten alsmede de precariobelasting kunt u indienen na ontvangst van de nota. Bij de nota treft u dan een bijlage aan met de omschrijving van de wijze waarop u gebruik kunt maken van de bezwaarmogelijkheid.”
2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het verweerder vrijstond om over het jaar 2013 precariobelasting aan eiseres op te leggen.
3. Eiseres is van mening dat aan haar geen aanslag precario kan worden opgelegd door verweerder. Dit standpunt steunt – kort weergegeven – op de volgende argumenten:
i. tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] de exploitatie van de schouwburg met alle lusten en lasten diende over te nemen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de onder rechtsoverweging 1.1. vermelde overeenkomst alsmede naar de beslissingen op de vergunningsaanvragen van 2006 tot en met 2013, waaruit volgt dat eiseres al jaren geen precariorechten heeft hoeven betalen, hetgeen volgens eiseres duidt op het bestaan van een (mondelinge) overeenkomst. Bovendien blijkt uit interne stukken van de gemeente dat geadviseerd is om overeenkomst te sluiten met eiseres, hetgeen ook wijst op het reeds bestaan van mondelinge overeenstemming;
6.1 Overeenkomst
6.1.1 Zoals blijkt uit de in artikel 4, aanhef en onder a, van de precarioverordening opgenomen vrijstellingsgrond dient verweerder rekening te houden met een op de gemeente rustende civielrechtelijke verplichting, zoals een tussen de gemeente en een belanghebbende gesloten overeenkomst. De gemeentelijke overheid dient zich immers, zoals onder meer volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 22 november 2011 (ECLI:NL: GHARN:2011:BU6641), op grond van met name het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel jegens een belanghebbende betrouwbaar op te stellen en er niet toe over te gaan aanslagen precariobelasting op te leggen, terwijl zij zich eerder ertoe heeft verplicht dat niet te doen. Ter beoordeling ligt dan ook voor of de gemeente zich jegens eiseres contractueel heeft verplicht om aan haar geen aanslagen precariobelasting op te leggen. De stellingen van eisers geven onvoldoende aanleiding om deze vraag positief te beantwoorden. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
6.1.2 Aan de hand van het overeenkomstenrecht dient te worden beoordeeld of een overeenkomst tot stand is gekomen en waartoe het de partijen verplicht. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan, zie artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De aanvaarding moet inhoudelijk met het aanbod overeenstemmen. Of dat zo is, hangt af van wat partijen hebben verklaard en van hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Dit geldt in het onderhavige geval; temeer nu gesteld noch gebleken is dat eiseres en verweerder schriftelijk zijn overeengekomen dat eiseres geen precariobelasting verschuldigd zou zijn, waarbij de rechtbank nog overweegt dat de koopovereenkomst van 4 juli 1995 geen enkele toezegging bevat dat zal worden afgezien van de heffing van precariobelasting.
6.1.3 De rechtbank is van oordeel dat eiseres heeft nagelaten haar betoog dat sprake is van een mondelinge overeenkomst met verweerder te onderbouwen. Zij heeft op geen enkele wijze aangegeven op welk moment er namens verweerder concrete toezeggingen door een daartoe bevoegde persoon zijn gedaan op grond waarvan eiseres mocht menen dat er tussen haar en verweerder overeenstemming bestond over het al dan niet verschuldigd zijn van precariobelasting. Dit had wel op de weg van eiseres gelegen gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van verweerder. Dat uit een intern advies van 11 november 1997 volgt dat de afdeling Financiën aan het college heeft geadviseerd aan eiseres vrijstelling te verlenen en het college met dit advies heeft ingestemd, maakt dit oordeel niet anders. Zoals hiervoor reeds weergegeven, behelst dit advies vrijstelling te verlenen op grond van een in de toenmalige verordening opgenomen vrijstelling voor het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen, nadat met eiseres een overeenkomst hierover is gesloten. Gesteld noch gebleken is dat eiseres en verweerder conform deze vrijstellingsbepaling onderhandeld hebben over een door eiseres te betalen vergoeding in ruil voor het achterwege laten van precariobelasting, laat staan dat eiseres een dergelijke vergoeding ook daadwerkelijk heeft voldaan.
6.1.4 De omstandigheid dat eiseres jarenlang geen precariobelasting heeft betaald is onvoldoende voor de conclusie dat alleen op grond daarvan aangenomen moet worden dat sprake is van een toezegging van verweerder dan wel van een mondelinge overeenstemming, nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat hij destijds er ten onrechte van uit is gegaan dat eiseres valt onder de vrijstelling voor niet-commerciële instellingen.
6.1.5 Nu voor het overige door eiseres geen feiten en/of omstandigheden zijn aangedragen die – indien aangetoond – zouden kunnen leiden tot een ander oordeel, brengt het voorgaande met zich mee dat de rechtbank ervan uitgaat dat geen overeenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van (het afzien van) de heffing van precariobelasting.
Rechtbank Limburg 02-04-2015, nr. 14_2071. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door de Hof Den Bosch ongegrond verklaard, Hof Den Bosch 02-09-2016, nr. 15/00702.

Precariobelasting 2008 en 2009 gemeente Baarn

3.1.3. In het zogenoemde onderhandelaarsakkoord van 19 september 1991 (hierna: het onderhandelaarsakkoord), waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, is in artikel 9, lid 3 bepaald: “Zij zullen bevorderen dat de gemeenten geen vergoedingen, retributies, recognities e.d., voor het hebben, c.q. gebruiken van voorwerpen in, op of boven voor openbare dienst bestemd(e) grond en water, c.q. hun in eigendom toebehorende grond en water vragen en/of heffen van de [A].”
4.1.1. Het Hof heeft – in cassatie onbestreden - geoordeeld dat artikel 9, lid 3, van het onderhandelaarsakkoord, dat als onderdeel van de overeenkomst is te beschouwen, tot gevolg heeft dat de gemeente Baarn zich ertoe heeft verbonden om belanghebbende niet in de heffing van de precariobelasting te betrekken.
4.1.2. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de heffingsambtenaar in de uitoefening van zijn taak om belastingschulden van belanghebbende te formaliseren, gehouden is de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Die beginselen brengen volgens het Hof mee dat de heffingsambtenaar – het bestuursorgaan dat onderdeel uitmaakt van de gemeente – gehouden is de hiervoor in 4.1.1 bedoelde verplichting in acht te nemen.
4.3.1. Het eerste middel richt zich tegen het hiervoor in 4.1.2 vermelde oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de overeenkomst niet is gesloten door de heffingsambtenaar maar door de gemeente, en dat niet-naleving van die overeenkomst door de gemeente niet aan de orde kan worden gesteld in een procedure voor de belastingrechter waarin de heffingsambtenaar partij is.
4.3.2. De verwerping van het tweede middel brengt mee dat voor de verdere beoordeling in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de gemeente Baarn bij overeenkomst rechtsgeldig de hiervoor in 4.1.1 vermelde verplichting op zich heeft genomen om belanghebbende niet in de heffing van de precariobelasting te betrekken. De rechtsgeldigheid van die afspraak is door het College voor het overige niet bestreden. Ook bevatten de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding geen aanwijzingen dat de afspraak zozeer in strijd is met de wet dat nakoming daarvan niet verlangd kan worden.
4.3.3. Deze door de gemeente aangegane contractuele verplichting brengt mee dat het ter zake van de heffing bevoegde orgaan van de gemeente, de heffingsambtenaar, geen aanslagen in de precariorechten aan belanghebbende behoort op te leggen.
4.3.4. Legt de heffingsambtenaar in strijd met de overeenkomst toch een dergelijke aanslag op, en wenst belanghebbende dat de gemeente de overeenkomst op dit punt nakomt, dan dient zij zich, na eventueel bezwaar, te wenden tot de belastingrechter, als de rechter die bevoegd is ten aanzien van deze aanslag (vgl. HR 8 juli 2011, nr. 09/03160, ECLI:NL:HR:1996:BP3057, NJ 2011/463, onderdeel 3.6.3). Die rechter dient dan bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanslag te betrekken of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met de verplichtingen die voor hem - gelet op het hiervoor in 4.3.3 overwogene - uit de overeenkomst voortvloeien. Als de belastingrechter van oordeel is dat de heffingsambtenaar met het opleggen van de aanslag in strijd met die verplichtingen heeft gehandeld, dient hij de aanslag te vernietigen.
Hoge Raad 11-10-2013, nr. 11/05660

MOMENT AANSLAGOPLEGGING

Precariobelasting 2010 gemeente Amsterdam

5.5. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat het onredelijk is dat de aanslag met terugwerkende kracht is opgelegd. Hij voert daarbij aan dat uit artikel 1, 2 en 25 van de Universele verklaring van de rechten van de mens (hierna: UVRM) voortvloeit dat de gemeente Amsterdam de situatie waarin hij verkeerde vóór de verkrijging van de eigendom van de grond door de gemeente, dient te respecteren.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank met juistheid in overweging 4.4 en 4.5 geoordeeld dat de aanslag is opgelegd binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn en dat de innerlijke waarde of de billijkheid niet door de rechter mag worden beoordeeld. Heffing van de onderhavige belasting is voorts niet in strijd met enige bepaling van internationaal recht. In het bijzonder is het Hof van oordeel dat uit de genoemde artikelen van de UVRM niet kan worden afgeleid dat het stadsdeel na verkrijging van de eigendom van de grond niet van zijn bevoegdheid tot heffing van precariobelasting gebruik zou mogen maken. Zulks nog daargelaten dat de UVRM zich richt tot de staten die deze hebben ondertekend en niet kan worden aangemerkt als een regeling met rechtstreekse werking, waardoor de burger er rechtstreeks een beroep op kan doen.
Gerechtshof Amsterdam 24-04-2014, nr. 12/00457. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard onder toepassing van art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 07-11-2014, nr. 14/03076.

Precariobelasting 2011 gemeente Utrecht

5.2. De laatstbedoelde bevoegdheid is in de Tarieventabel aldus uitgewerkt, dat deze voor terrassen dag , week , maand en seizoentarieven bevat doch geen jaartarieven. Daardoor ontstaat de belastingschuld ter zake van het hebben van een terras volgens artikel 7, lid 1, artikel 9, lid 1, en de laatste zinsnede van artikel 10 van de Verordening niet bij het begin van het belastingtijdvak, doch naar de algemene regel van artikel 11, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet eerst na verloop van het desbetreffende tijdvak.
5.3. In het systeem van de artikelen 11 tot en met 15 van de AWR kan, ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en de belastingplicht niet in de loop van het tijdvak eindigt, een definitieve aanslag pas na afloop van dat heffingstijdvak worden opgelegd. Het tijdvak is te dezen hetzij het seizoen – zoals aanvankelijk door de Ambtenaar is verdedigd – hetzij het tijdvak van de vijf aaneengesloten maanden mei tot en met september 2011. Dit laatste sluit in het nader door de Ambtenaar ter zitting ingenomen standpunt het meest aan ‘bij een ter zake door de gemeente verleende vergunning’ in de zin van artikel 6, lid 3, van de Verordening. In elk van beide gevallen echter is de aanslag blijkens zijn dagtekening op 31 augustus 2011 vastgesteld voordat de belastingschuld was ontstaan. Gesteld noch gebleken is dat de aanslag bedoeld is, althans zou kunnen worden opgevat, als een voorlopige aanslag, te meer daar evenmin is gesteld of gebleken dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe vereist besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de AWR in verbinding met artikel 231, lid 3, van de Gemeentewet.
5.4. Hoewel de aanslag derhalve voortijdig is opgelegd, zal het Hof daaraan niet – anders dan is beslist in de arresten van de Hoge Raad van 2 november 1994, nr. 29 595, LJN: AA2989, BNB 1995/12*, en van 14 juni 2002, nr. 36 863, LJN: AE4170, BNB 2002/294* – de gevolgtrekking verbinden dat de aanslag moet worden vernietigd. Belanghebbende concludeert niet tot vernietiging van de aanslag en de Ambtenaar kan, nadat de aanslag door het Hof zou zijn vernietigd, voor het jaar 2011 alsnog met inachtneming van artikel 11, leden 3 en 4, van de AWR een aanslag opleggen. Daartegen zou belanghebbende opnieuw bezwaar en beroep moeten instellen om de belastingrechter te laten oordelen over de door haar opgeworpen geschilpunten. Daarom zal het Hof zich hiertoe in het navolgende beperken.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-06-2013, nr. 12-00502

Precariobelasting 2007-2009 gemeente Amsterdam

5.4. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat het onredelijk is dat de aanslagen met terugwerkende kracht zijn opgelegd. Hij voert daarbij aan dat uit artikel 1, 2 en 25 van de Universele verklaring van de rechten van de mens (UVRM) voortvloeit dat de gemeente Amsterdam de situatie waarin hij verkeerde vóór de verkrijging van de eigendom van de grond door de gemeente, dient te respecteren.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank met juistheid in overweging 4.4 en 4.5 geoordeeld dat de aanslagen zijn opgelegd binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn en dat de innerlijke waarde of de billijkheid niet door de rechter mag worden beoordeeld. Heffing van de onderhavige belasting is voorts niet in strijd met enige bepaling van internationaal recht. In het bijzonder is het Hof van oordeel dat uit de genoemde artikelen van de UVRM niet kan worden afgeleid dat het stadsdeel na verkrijging van de eigendom van de grond niet van zijn bevoegdheid tot heffing van precariobelasting gebruik zou mogen maken. Zulks nog daargelaten dat de UVRM zich richt tot de staten die deze hebben ondertekend en niet kan worden aangemerkt als een regeling met rechtstreekse werking, waardoor de burger er rechtstreeks een beroep op kan doen. Ten overvloede wijst het Hof er op dat de heffingsambtenaar in de uitspraken op bezwaar heeft aangegeven dat het vanwege de cumulatie van aanslagen, mogelijk is een betalingsregeling te treffen.
Gerechtshof Amsterdam 14-06-2012, nrs. 11-00198 en 11-00199. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard, Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/03632.

Precariobelasting 2010 gemeente Amsterdam

4.3. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder (...) in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid op lichtvoetige, slordige en /of willekeurige wijze aanslagen [heeft] opgelegd. Eiser stelt in dit verband pas eerst in 2009 aanslagen met terugwerkende kracht te hebben ontvangen vanaf 2007. Eiser acht het opleggen van aanslagen met terugwerkende kracht onbehoorlijk en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
4.4. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Nu de aanslagen alle binnen de in artikel 11, derde lid, van de Awr genoemde termijn zijn vastgesteld, kan niet geoordeeld worden dat deze aanslagen enkel vanwege het feit dat de aanslagen eerder opgelegd hadden kunnen worden, niet meer opgelegd mochten worden. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de oorspronkelijke wettekst van de Awr, blijkt dat de termijnbepaling van artikel 11, derde lid, van de Awr in de eerste plaats de rechtszekerheid dient. Het is in de woorden van de minister 'voor de belastingplichtigen (…) dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen'. Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat aan deze bepaling ook de wens ten grondslag ligt om geschillen te voorkomen over de vraag wat nu nog een aanvaardbare termijn is waarbinnen de aanslag moet worden opgelegd. Nu de aanslagen binnen de termijn van drie jaren zijn opgelegd is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de civiele rechter waarbij het met terugwerkende kracht berekenen van huur zou zijn uitgesloten, maakt vorenstaande niet anders. Deze civielrechtelijke casus valt immers niet binnen de reikwijdte van artikel 11, derde lid, van de Awr.
4.5. Voor zover eiser bepleit dat artikel 11, derde lid, van de Awr een onredelijke termijn bevat dient opgemerkt te worden dat ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen de rechter volgens de wet recht spreekt en niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
Rechtbank Amsterdam 25-01-2011, nr. 10/4021, te kennen uit Gerechtshof Amsterdam 24-04-2014, nr. 12/00457.

Precariobelasting 2007-2009 gemeente Amsterdam

4.3. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder 1 en 2 in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid op lichtvoetige, slordige en /of willekeurige wijze aanslagen hebben opgelegd. Eiser stelt in dit verband pas eerst in 2009 aanslagen met terugwerkende kracht te hebben ontvangen vanaf 2007. Eiser acht het opleggen van aanslagen met terugwerkende kracht onbehoorlijk en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
4.4. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Nu de aanslagen alle binnen de in artikel 11, derde lid, van de Awr genoemde termijn zijn vastgesteld, kan niet geoordeeld worden dat deze aanslagen enkel vanwege het feit dat de aanslagen eerder opgelegd hadden kunnen worden, niet meer opgelegd mochten worden. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de oorspronkelijke wettekst van de Awr, blijkt dat de termijnbepaling van artikel 11, derde lid, van de Awr in de eerste plaats de rechtszekerheid dient. Het is in de woorden van de minister 'voor de belastingplichtigen (…) dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen'. Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat aan deze bepaling ook de wens ten grondslag ligt om geschillen te voorkomen over de vraag wat nu nog een aanvaardbare termijn is waarbinnen de aanslag moet worden opgelegd. Nu de aanslagen binnen de termijn van drie jaren zijn opgelegd is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de civiele rechter waarbij het met terugwerkende kracht berekenen van huur zou zijn uitgesloten, maakt vorenstaande niet anders. Deze civielrechtelijke casus valt immers niet binnen de reikwijdte van artikel 11, derde lid, van de Awr.
4.5. Voor zover eiser bepleit dat artikel 11, derde lid, van de Awr een onredelijke termijn bevat dient opgemerkt te worden dat ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen de rechter volgens de wet recht spreekt en niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
Rechtbank Amsterdam 25-01-2011, nrs. 10/1744 en 10/1745, te kennen uit Gerechtshof Amsterdam 14-06-2012, nrs. 11-00198 en 11-00199.

KENBAARHEID AANSLAG

Precariobelasting 2015 gemeente Leeuwarden

4.1 Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar van 12 juni 2015. Aangezien met die uitspraak op bezwaar de behandeling van het bezwaar was geëindigd, had de heffingsambtenaar niet de mogelijkheid met een nadere uitspraak op het bezwaar te beslissen. De nadere uitspraak op bezwaar, waarbij belanghebbendes bezwaar wederom werd afgewezen, heeft geen rechtskracht en voor een intrekking van een uitspraak op bezwaar bestaat geen wettelijke grondslag. Van de door belanghebbende gestelde impliciete honorering van zijn bezwaar door intrekking van de eerste uitspraak op het bezwaar kan derhalve geen sprake zijn.
4.2 Artikel 2 van de Verordening precariobelasting Leeuwarden 2015 (hierna: de Verordening) bepaalt dat onder de naam "precariobelasting" een directe belasting wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, waarvoor een vergunning verplicht is.
4.3 Op het aanslagbiljet waarin de aanslag is vervat, komt het woord "precariobelasting" niet voor, maar wel het woord "aanslag" en het woord "precario".
4.4 De omstandigheid dat op het aanslagbiljet het woord "precariobelasting" niet voorkomt, brengt niet mee dat de vaststelling van de aanslag of de bekendmaking ervan niet in de voorgeschreven vorm is verricht. De aanduiding van de belasting in artikel 2 van de Verordening heeft immers geen betrekking op de wijze van heffing. Voorts is door belanghebbende niet gesteld dat te dezen is gehandeld in strijd met de goede zeden, de openbare orde, of enige dwingende bepaling in een wet in formele zin of een bepaling die op een uitdrukkelijke delegatie door de formele wetgever berust, en ook overigens is daarvan niet gebleken. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de aanslag op de door belanghebbende gestelde grond nietig is.
4.5 Subsidiair beroept belanghebbende zich op vernietigbaarheid van de aanslag. Derhalve behoeft ook de vraag of belanghebbende heeft moeten begrijpen dat de aanslag betrekking heeft op de precariobelasting beantwoording. Dienaangaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat, gelet op hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld, bij belanghebbende redelijkerwijs er geen twijfel over kon bestaan dat sprake was van precariobelasting, welk oordeel werd bevestigd doordat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft verwezen naar artikel 2 van de Verordening. Anders dan belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld, heeft de Rechtbank daarbij een objectieve maatstaf aangelegd. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank juist en maakt het tot het zijne. Andere gronden waaruit de vernietigbaarheid van de aanslag zou kunnen voortvloeien, zijn door belanghebbende niet gesteld. Derhalve faalt belanghebbendes beroep op de vernietigbaarheid van de aanslag.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2017, nr. 16/00469. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 08-12-2017, nr. 17/01759.

Precariobelasting 2014 gemeente Leeuwarden

4.1 Artikel 2 van de Verordening precariobelasting Leeuwarden 2014 (hierna: de Verordening) bepaalt dat onder de naam "precariobelasting" een directe belasting wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, waarvoor een vergunning verplicht is.
4.2 Op het aanslagbiljet waarin de aanslag is vervat, komt het woord "precariobelasting" niet voor, maar wel tweemaal het woord "aanslag" en eenmaal het woord "precario".
4.3 De omstandigheid dat op het aanslagbiljet het woord "precariobelasting" niet voorkomt, brengt niet mee dat de vaststelling van de aanslag of de bekendmaking ervan niet in de voorgeschreven vorm is verricht. De aanduiding van de belasting in artikel 2 van de Verordening heeft immers geen betrekking op de wijze van heffing. Voorts is door belanghebbende niet gesteld dat te dezen is gehandeld in strijd met de goede zeden, de openbare orde, of enige dwingende bepaling in een wet in formele zin of een bepaling die op een uitdrukkelijke delegatie door de formele wetgever berust, en ook overigens is daarvan niet gebleken. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de aanslag op de door belanghebbende gestelde grond nietig is.
4.4 Ter zitting heeft belanghebbende laten weten dat hij zich niet op vernietigbaarheid, maar op nietigheid van de aanslag beroept. Hij heeft echter de aan zijn standpunt ten grondslag liggende feiten niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken. Derhalve behoeft ook de vraag of belanghebbende heeft moeten begrijpen dat de aanslag betrekking heeft op de precariobelasting beantwoording. Dienaangaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat, gelet op hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld, bij belanghebbende redelijkerwijs er geen twijfel over kon bestaan dat sprake was van precariobelasting, welk oordeel werd bevestigd doordat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft verwezen naar artikel 2 van de Verordening. Anders dan belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld, heeft de Rechtbank daarbij een objectieve maatstaf aangelegd. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank juist en maakt het tot het zijne. Andere gronden waaruit de vernietigbaarheid van de aanslag zou kunnen voortvloeien, zijn door belanghebbende niet gesteld. Derhalve faalt belanghebbendes beroep op de nietigheid van de aanslag, ook voor zover het moet worden begrepen als een beroep op vernietigbaarheid.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-05-2016, nr. 15/00419. Het cassatieberoep van belanghebbende is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 17-03-2017, nr. 16/03520.

VRIJSTELLINGEN

Precariobelasting 2011 gemeente Maasdriel

De rechtbank heeft omtrent het geschil onder meer het volgende overwogen:
21. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat een privaatrechtelijke vergoeding van € 0 is overeengekomen en betaald voor het netwerk. Daarmee is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onder a, van de Verordening. Daargelaten dat deze afspraak slechts betrekking heeft op de leidingen die reeds op grond van artikel 4, aanhef en onder c, van de Verordening zijn vrijgesteld, moet uit de toevoeging van de woorden “en is betaald” in artikel 4, aanhef en onder a, van de Verordening worden afgeleid dat een vergoeding van nihil niet als een vergoeding in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd. Ook langs deze weg is er derhalve geen grond voor vrijstelling van de overige leidingen.
Artikel 4 Vrijstellingen
De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:.
a. voorwerpen, waarvan de gemeente ter zake van het gebruik van de door de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel waarvoor een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen en is betaald;.
c. voorwerpen, welke op grond van een wettelijk voorschrift, een overeenkomst of anderszins rechtens moeten worden gedoogd;.
Contractuele gedoogplicht / vrijstellingsbepaling
4.3.1.1. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de rechten en verplichtingen die voor [L] voortvloeien uit de overeenkomsten niet op [NV Y] zijn overgegaan.
4.3.1.2. Voorts heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat indien [NV Y] een gedoogrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel c, Verordening, belanghebbende rechten aan dat gedoogrecht kan ontlenen. Volgens de heffingsambtenaar volgt uit artikel 2 en artikel 3, eerste lid, Verordening dat er een relatie moet zijn tussen (enerzijds) het voorwerp van belastingheffing (kabels, leidingen en buizen) en (anderzijds) degene die dat voorwerp heeft en belastingplichtig is. Aldus stelt de heffingsambtenaar dat hij ook bevoegd is precariobelasting te heffen over netwerken gelegen in de voormalige gemeenten Ammerzoden, Hedel, Rossum en Hurwenen.
4.3.2.1. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rechten die [L] aan de overeenkomsten – al dan niet in samenhang met de in artikel 4, onder c, Verordening opgenomen vrijstellingsbepaling – heeft kunnen ontlenen, op [NV Y] zijn overgegaan.
4.3.2.2. Belanghebbende stelt dat genoemde vrijstelling, gelet ook op de algemene bewoordingen daarvan, de voorwerpen volgt waarop zij betrekking heeft, zodat belanghebbende (ook) op die grond een beroep op die vrijstelling kan doen. In dat verband acht belanghebbende het mede van belang dat zij verantwoordelijk is voor een deel van de taken die ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten door [L] werden verricht, namelijk die betreffende het beheer van het net.
4.3.2.3. Indien het Hof van oordeel is dat de vrijstelling uitsluitend van toepassing is indien belanghebbende zich op de overeenkomsten kan beroepen, stelt belanghebbende dat zij zich als economisch eigenaar van de netwerken, mede gelet op hetgeen daaromtrent in de Elektriciteitswet is bepaald, ook op de overeenkomsten kan beroepen. Dit geldt dan ook voor de meters netwerk die betrekking hebben op de straatverlichting, omdat, nu in de straatverlichtingsovereenkomsten niets over de heffing van precariobelasting is bepaald, ook daarvoor geldt wat in de overeenkomsten is bepaald. Voorts heeft de gemeente zich volgens belanghebbende verbonden tot (a) het volgens belanghebbende uit de overeenkomsten voortvloeiende recht om op afroep (kosteloos) vestiging van een zakelijk recht te verlangen dat aan heffing van de precariobelasting in de weg staat en (b) het herzien van de Verordening indien daaruit een verschuldigdheid van precariobelasting zou voortvloeien.
4.3.2.4. Bovendien zijn er volgens belanghebbende gronden om haar voor de toepassing van de Verordening met [NV Y] te vereenzelvigen. Ook hieruit volgt volgens belanghebbende dat aan haar rechtstreeks het contractuele gedoogrecht toekomt en dat zij recht heeft op toepassing van de vrijstelling van artikel 4, onderdeel c, Verordening.
4.3.3.1. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende zich niet met succes beroepen op de overeenkomsten en op de vrijstelling van artikel 4, onderdeel c, Verordening.
Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [NV Y] in het onderhavige jaar aan de overeenkomsten een contractueel gedoogrecht kan ontlenen, zijn geen gronden aannemelijk gemaakt op basis waarvan dat recht ook aan belanghebbende zou toekomen. Uit zichzelf houden de overeenkomsten niet een dergelijke derdenwerking (ten gunste van belanghebbende) in; zo bevatten de overeenkomsten ook niet een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253, eerste lid, BW. Dit is niet anders met betrekking tot de meters netwerk die betrekking hebben op de straatverlichting, omdat in de straatverlichtingsovereenkomsten niets over de heffing van precariobelasting is bepaald.
4.3.3.2. Het hiervoor overwogene is van belang, omdat de vrijstelling van artikel 4, onderdeel c, Verordening, naar het oordeel van het Hof aldus moet worden gelezen dat degene die zich ter zake van de aanwezigheid van een contractueel gedoogrecht op die vrijstelling beroept, zelf tot dat gedoogrecht gerechtigd moet zijn. In die zin vormt de vrijstellingsbepaling van artikel 4, ten eerste, Verordening, als het ware een codificatie van de jurisprudentie inzake aan de bevoegdheid tot heffen van precariobelasting in de weg staande verplichtingen.
Dat de gemeentelijke regelgever deze jurisprudentie met de vrijstellingsbepaling heeft beoogd uit te breiden naar derden die geen partij (of rechtsopvolger daarvan) waren bij de overeenkomst waarin het gedoogrecht is opgenomen, acht het Hof niet aannemelijk.
Een uitleg van genoemde vrijstellingsbepaling waarmee de werking ervan wordt uitgebreid naar derden die geen partij zijn bij de overeenkomst waarin het gedoogrecht is opgenomen, acht het Hof niet juist. Dit oordeel lijkt bevestiging te vinden in de formulering van de laatste volzin van r.o. 2.5.4 van het arrest Naarden, omdat daarin uitdrukkelijk ‘de wederpartij’ is aangemerkt als degene die zich op het (contractuele) gedoogrecht kan beroepen.
De andersluidende opvatting die inhoudt dat het aan [NV Y] toekomende gedoogrecht voor de toepassing van de vrijstellingsbepaling als het ware derdenwerking heeft, wordt derhalve verworpen.
4.3.3.3. Het hiervoor overwogene zou anders zijn, indien belanghebbende zich rechtstreeks – zonder een beroep op derdenwerking – op de overeenkomsten zou kunnen beroepen. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de omstandigheid dat belanghebbende netbeheerder is en uit dien hoofde economisch eigenaar van de netwerken waarvan [NV Y] de juridisch eigenaar is, niet dat de rechten die aan [NV Y] als rechtsopvolger van [L] toekomen, ook (rechtstreeks) aan haar toekomen; hetzelfde geldt – voor zover al van belang – ook voor de rechten die [NV Y] aan de straatverlichtingsovereenkomsten kan ontlenen.
Een overgang van rechten op belanghebbende volgt ook niet uit de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet, Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328, welke heeft geleid tot de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998. Voorts acht het Hof onvoldoende grond aanwezig voor – met het oog op de toepassing van de Verordening – een vereenzelviging van belanghebbende en [NV Y] , zodanig dat uit dien hoofde aan belanghebbende de rechten zouden toekomen die (veronderstellenderwijs) [NV Y] aan de overeenkomsten kan ontlenen.
4.3.3.4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat belanghebbende ook geen – naar zij heeft gesteld: uit de overeenkomsten voortvloeiend – recht toekomt op de vestiging van een zakelijk op de netwerken betrekking hebbend recht van opstal of een erfdienstbaarheid dan wel een recht om herziening van de Verordening te vorderen indien deze tot verschuldigdheid van precariobelasting zou leiden; nog daargelaten dat de hiervoor bedoelde zakelijke rechten in het onderhavige jaar niet zijn gevestigd.
4.3.3.5. Het hiervoor overwogene houdt in dat de vraag of [NV Y] gerechtigd is geworden tot de rechten die voor [L] uit de overeenkomsten voortvloeiden, in het midden kan blijven.
Vrijstelling artikel 4, onderdeel a, Verordening
4.4. Voor zover belanghebbende in hoger beroep haar stelling heeft gehandhaafd dat de vrijstelling van artikel 4, onderdeel a, Verordening van toepassing is, wijst het Hof deze stelling af op grond van hetgeen de rechtbank hierover in r.o. 21 van haar uitspraak heeft overwogen.
Hof Amsterdam 21-09-2017, nr. 16/00533

Precariobelasting 2013 gemeente Roermond, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (BSGW)

1.1.De gemeente Roermond is op 4 juli 1995 met eiseres (destijds nog: [eiseres] in oprichting) overeengekomen dat eerstgenoemde de schouwburg en het zalencentrum aan [adres] te Roermond voor een bedrag van ƒ 1,= aan laatstgenoemde verkoopt. Blijkens deze overeenkomst is eiseres op straffe van een boete gedurende vijfentwintig jaar verplicht het theater als schouwburg in stand te houden en te (doen) exploiteren. De gemeente heeft zich jegens eiseres verplicht tot een eenmalige bijdrage van ƒ 15.000.000,= in het te verwachten negatieve exploitatieresultaat van het theater.
1.2. Op 20 oktober 1997 heeft het bureau Economische Zaken van de gemeente Roermond aan het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente (het college) geadviseerd om (onder meer) eiseres op grond van de toenmalige precarioverordening vrij te stellen van de heffing van precariobelasting voor de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van theatervoorstellingen omdat in zijn optiek sprake is van voorwerpen die uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijke of daarmede gelijk te stellen instellingen met ideële motieven. Het college heeft hierop op 28 oktober 1997 besloten om nader advies in te winnen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
1.3. De afdeling Financiën van de gemeente Roermond heeft, na overleg met de VNG, op 11 november 1997 eveneens aan het college geadviseerd om aan eiseres vrijstelling te verlenen van de heffing van precariobelasting, zij het niet op grond van het ontbreken van commerciële doeleinden. Zij adviseert vrijstelling te verlenen op grond van een in de toenmalige precarioverordening opgenomen vrijstelling voor het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen (artikel 7 onder a), nadat met eiseres een overeenkomst hierover is gesloten. Het college heeft zich in haar vergadering van 18 november 1997 akkoord verklaard met het voorstel van de afdeling Financiën onder de voorwaarde dat in de overeenkomst wordt vastgelegd dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor voorstellingen van culturele aard, zowel professioneel als door amateurs.
1.4. Verweerder heeft eiseres gedurende zeventien jaren (1996 tot en met 2012) niet betrokken in de precariobelasting. In de besluiten die zien op de vergunningverlening aan eiseres voor het plaatsen van de driehoeksborden over de theaterseizoenen beginnend op 27 september 2006 en eindigend op 1 juni 2011 is opgenomen dat eiseres op grond van de precarioverordening geen precariobelasting is verschuldigd. In de besluiten over de seizoenen van 1 juli 2011 tot en met 31 mei 2013 is hierover weliswaar niets opgenomen, maar aan eiseres zijn toen geen aanslagen opgelegd. Over het belastingjaar 2007 heeft verweerder in eerste instantie wel aan eiseres een aanslag precariobelasting opgelegd voor het plaatsen van de driehoeksborden. Deze aanslag heeft verweerder niet gehandhaafd, omdat – zo stelt verweerder – hij destijds er ten onrechte van uit zal zijn gegaan dat eiseres valt onder de vrijstelling voor niet-commerciële instellingen.
1.5. Op datum in geding luidde de tekst van de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2013 (precarioverordening), voor zover hier van belang, als volgt.
(…)
Artikel 4 Vrijstellingen
De belasting wordt niet geheven ter zake van:
a. Het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen;
(…)
f. voorwerpen, welke uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijk of daarmee gelijk te stellen instellingen met ideële motieven.”
1.6. Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder aan eiseres voor de periode 1 september 2013 tot en met 1 juni 2014 een vergunning verleend voor het plaatsen van 640 driehoeksborden (1.920 affiches) rond lichtmasten die staan langs wegen die bij de gemeente in beheer zijn. In deze vergunning is voor zover thans relevant het volgende opgenomen:
“Precario
Krachtens het bepaalde in de precarioverordening bent u voor het hebben van voorwerpen op gemeentegrond een precariorecht van € 8.524,80 verschuldigd. In de aan u toe te zenden nota staan naast de legeskosten eveneens de precariobelasting vermeld. Een bezwaarschrift tegen de legeskosten alsmede de precariobelasting kunt u indienen na ontvangst van de nota. Bij de nota treft u dan een bijlage aan met de omschrijving van de wijze waarop u gebruik kunt maken van de bezwaarmogelijkheid.”
2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het verweerder vrijstond om over het jaar 2013 precariobelasting aan eiseres op te leggen.
3. Eiseres is van mening dat aan haar geen aanslag precario kan worden opgelegd door verweerder. Dit standpunt steunt – kort weergegeven – op de volgende argumenten:
(...) Ter zitting heeft eiseres hier nog aan toegevoegd dat zij op grond van het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder f, van de precarioverordening in aanmerking komt voor een vrijstelling van precariobelasting.
6.2.1 (...) Eerst ter zitting heeft eiseres als beroepsgrond aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor een vrijstelling op grond van het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder f, van de precarioverordening. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond evenmin kan slagen. Nog afgezien van het feit dat deze grond te laat naar voren is gebracht en daarmee in strijd met de goede procesorde moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van deze vrijstellingsgrond. Eisers kan immers niet worden aangemerkt als een culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen instelling met ideële motieven, nu zij naast het theater tevens op commerciële basis een restaurant en een hotel exploiteert. Dat de theateractiviteiten, zoals eiseres thans stelt, verliesgevend en niet commercieel van aard zijn is daarbij, wat hier ook van zij, niet van belang. Naar het oordeel van de rechtbank volgt immers uit de precarioverordening dat de totale instelling, derhalve inclusief restaurant en hotel, in ogenschouw moet worden genomen.
Rechtbank Limburg 02-04-2015, nr. 14_2071

Precariobelasting 2011 gemeente Beverwijk

4.7.2. Aan de orde komt daardoor het beroep van belanghebbende op de in artikel 4, onderdeel i, van de Verordening opgenomen vrijstelling (hierna: de vrijstelling).
4.7.3. De rechtbank heeft, zoals blijkt uit de hiervoor in 4.1 opgenomen onderdelen van haar uitspraak, de vrijstelling van toepassing geacht met betrekking tot het (geheel van het) gebruik dat belanghebbende van het terrein heeft gemaakt.
4.7.4.1. De heffingsambtenaar heeft primair betoogd dat de vrijstelling reeds niet van toepassing is omdat de bouw, naar hij stelt, niet voor rekening van de gemeente heeft plaatsgevonden, maar voor rekening van [D B.V.], als opdrachtgever tot de bouw.
4.7.4.2. Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard: “Er is inderdaad geen toelichting in de verordening opgenomen met betrekking tot de vrijstellingsbepaling van artikel 4, onderdeel i. Het is ook geen standaard vrijstellingsbepaling van de VNG-modelverordening. De gemeente wil graag een uitspraak van het Hof. Een meer economische interpretatie van het begrip ‘voor rekening van’, waarbij wordt meegewogen voor wiens rekening de bouwkosten uiteindelijk komen, en een daarop gebaseerde heffing pro rato, zou denkbaar kunnen zijn, maar dan als beslissing van het Hof en niet van mij als vertegenwoordiger van de gemeente in de vorm van een compromis.”
4.7.5. In de brief aan partijen heeft het Hof het volgende voorlopig oordeel meegedeeld:
Alsdan komt aan de orde het beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 4 onderdeel i van de Verordening (hierna: de vrijstelling). Het Hof verwerpt in de eerste plaats de stelling van de heffingsambtenaar dat geen sprake is van bouw ‘voor rekening van’ de gemeente. Het Hof legt de vrijstellingsbepaling zó uit dat zij toepassing vindt indien en voor zover de bouwkosten van een bouwproject (uiteindelijk) voor rekening komen van de gemeente (en het desbetreffende gedeelte door de gemeente zal worden gebruikt, tot welk gebruik ook verhuur aan een derde behoort). Aldus wordt, zonder dat in strijd wordt gekomen met de tekst van de vrijstelling, ten volle recht gedaan aan haar strekking. Zonder de vrijstelling zou immers normaliter het desbetreffende gedeelte van de precariobelasting, als onderdeel van de bouwkosten, aan de gemeente kunnen worden doorberekend. De ratio van de vrijstelling is nu juist het voorkomen van een dergelijke vestzak-broekzak-effect.
Naar tekst en strekking biedt artikel 4 letter i evenwel geen grondslag voor vrijstelling van de precariobelasting voor zover deze betrekking heeft op het gedeelte van het bouwproject dat voor rekening van het [A] is gekomen (en waarvan dat [A], dat een van de gemeente te onderscheiden rechtspersoon is, de gebruiker zal zijn).
Het voorgaande houdt in dat het Hof de vrijstelling van toepassing acht op het door de gemeente te gebruiken gedeelte van het bouwproject (inclusief het leegstaande, voor verhuur aan [B] bestemde gedeelte), doch niet op het door het [A] te gebruiken gedeelte. Voor het pro rato toerekenen van de geheven belasting aan vrijgestelde en niet-vrijgestelde belastbare feiten ligt, gelet op de ratio van de vrijstelling, een toerekening op basis van de respectievelijke koopsommen het meest voor de hand.
4.7.6. Het Hof blijft bij dit oordeel, waarin ligt besloten dat het Hof ook de overige stellingen van de heffingsambtenaar heeft verworpen. Naar ’s Hofs oordeel biedt de tekst van de vrijstellingsbepaling geen steun voor de stellingen van de heffingsambtenaar dat de vrijstelling uitsluitend toepassing kan vinden indien de gemeente zelf de belastingplichtige in de zin van artikel 3 van de Verordening is, en (kennelijk subsidiair) dat de vrijstelling uitsluitend toepassing kan vinden met betrekking tot gebouwen die in hun geheel voor rekening van de gemeente worden gebouwd. Het beroep van belanghebbende op (analoge toepassing van) het arrest van de Hoge Raad van 24 juli 1995, nr. 30470, BNB 1995/272 (inzake ‘gebruik’ in het kader van de woonforensenbelasting) acht het Hof gelet op de specifieke context van de onderhavige vrijstellingsbepaling niet relevant. In dit verband overweegt het Hof nog dat, zo al niet de verhuur aan een derde voor de toepassing van artikel 4 van de Verordening als gebruik door de gemeente dient te worden aangemerkt, zulks in ieder geval heeft te gelden voor het met het oog op mogelijke verhuur leeg aanhouden van een (gedeelte van) een voor rekening van de gemeente gebouwde onroerende zaak.
4.7.7. De rechtbank is bij zijn oordeel dat de vrijstelling van toepassing is op het gehele belastbare gebruik van het terrein kennelijk ervan uitgegaan dat in ruimtelijk opzicht geen terreingedeelte valt aan te wijzen dat bij uitsluiting werd gebruikt ten behoeve van de bouw voor rekening van de gemeente. Het Hof is van oordeel dat de tekst van de vrijstellingsbepaling zich niet verzet tegen een pro rato toerekening van het gebruik van het bouwterrein op basis van het daarmee gediende economische nut en acht zulks beter in overeenstemming met de ratio van de vrijstellingsbepaling, Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat een (te) ruime uitleg van de onderhavige vrijstellingsbepaling spanning oplevert met het beginsel van een gelijke lastenverdeling.
4.8. Voor het geval het gebruik van het terrein als belastbaar feit is aan te merken, en de vrijstelling pro rato dient te worden toegepast, is tussen partijen, naar volgt uit de in 1.6 vermelde brief, niet in geschil dat de aanslag dient te worden verminderd tot € [c].
Gerechtshof Amsterdam 15-05-2014, nr. 12/00502

Precariobelasting 2007-2009 gemeente Amsterdam

5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat voor hem ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de vrijstelling opgenomen in artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van de Verordening precariobelasting [P]. In ieder van de onderhavige jaren luidt deze bepaling als volgt: 2. De belastingen en rechten worden niet geheven ter zake van: (….) i. een voorwerp onder, op of boven gemeentegrond dat niet aan het stadsdeel in eigendom is overgedragen, indien en voorzover dat voorwerp bij de overdracht aanwezig was en in verband met de inrichting van het betrokken perceel bezwaarlijk kan worden verwijderd.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij eigenlijk niet goed weet wat de gemeentelijke regelgever daarmee heeft bedoeld en dat deze vrijstelling bedoeld moet zijn voor een uitzonderlijke situatie.
Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat deze vrijstelling niet van toepassing is op de onderhavige woonboot. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat de woonboot in verband met de inrichting van het perceel, wat er zij van zijn persoonlijke bezwaren, bezwaarlijk had kunnen worden verwijderd na de overdracht van de grond door Rijkswaterstaat aan de gemeente.
Gerechtshof Amsterdam 14-06-2012, nrs. 11-00198 en 11-00199. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard, Hoge Raad 04-01-2013, nr. 12/03632.

TIJDSEVENREDIGE VERMINDERING

Precariobelasting 2015 gemeente Leeuwarden

4.16 Ingevolge het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Verordening wordt, indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.17 Belanghebbende heeft ter zitting onbetwist gesteld dat hij in augustus van ligplaats is veranderd. Partijen hebben daaruit ter zitting de gevolgtrekking getrokken dat de aanslag dient te worden verminderd. Het Hof volgt partijen daarin. Partijen hebben voorts ter zitting naar voren gebracht dat volgens hen een verhuizing in augustus zou moeten leiden tot een vermindering van de aanslag met vijf twaalfde. Het Hof volgt partijen daarin niet, omdat uit evenvermelde bepaling volgt dat de vermindering vier twaalfde dient te bedragen. Het Hof zal de aanslag dienovereenkomstig verminderen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2017, nr. 16/00469. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 08-12-2017, nr. 17/01759.

Precariobelasting 2011 gemeente Utrecht

6.2.1. (…) Het ontbreken van een aan artikel 9, leden 2 en 3, analoge regeling voor een in de loop van het seizoen aanvangende of eindigende belastingplicht offert het belang van belastingplichtigen bij heffing naar tijdsevenredigheid niet op onaanvaardbare wijze op aan de eisen van uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de Verordening. (…)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-06-2013, nr. 12-00502

GELIJKHEIDSBEGINSEL

Precariobelasting 2015 gemeente Leeuwarden

4.8 In het onderhavige geval heeft belanghebbende verzocht om overlegging van bepaalde stukken die zijn stelling zouden kunnen staven dat de heffingsambtenaar met het oogmerk van begunstiging andere belastingplichtigen niet in de heffing heeft betrokken. Belanghebbende heeft evenwel geen stellingen aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat die stukken enige rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de heffingsambtenaar ter zake van het opleggen van de aanslag aan belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft daarom mogen weigeren de betreffende stukken in het geding te brengen.
4.9 Door de heffingsambtenaar is onweersproken gesteld dat de gemeente niet de eigendom heeft van de grond onder de parkeergarage [D]. Dit brengt mee dat ten aanzien van de eigenaar van de parkeergarage geen sprake is van een situatie die feitelijk en rechtens gelijk is aan die van belanghebbende.
4.10 Wat betreft de luifel van [E] meent de heffingsambtenaar dat deze niet boven gemeentegrond hangt, aangezien de gemeente van de betreffende grond slechts een recht van opstal heeft.
4.11 In het geding is niet komen vast te staan of de zuilen waarop de luifel van [E] steunt, zich bevinden op bij de gemeente in eigendom zijnde grond, dan wel op grond waarop de gemeente het beperkte recht van opstal heeft. Ook voor de grond waarboven de luifel hangt, is niet komen vast te staan of de gemeente die in eigendom heeft, dan wel in gebruik als opstalhouder. Voor de vraag of de gemeente gerechtigd is tot het heffen van precariobelasting maakt het evenwel niet uit wat de aard van de civielrechtelijke gerechtigdheid is. Anders dan de heffingsambtenaar meent, is in geval van de vestiging van een opstalrecht niet de blote eigenaar, maar de opstalhouder degene die op grond van zijn recht tot de grond het gebruik door een derde kan gedogen. De vestiging van een opstalrecht ten behoeve van de gemeente, of het voorbehoud daarvan bij verkoop van de grond, staat derhalve aan de heffing van precariobelasting niet in de weg; de grond dient alsdan immers te worden aangemerkt als gemeentegrond in de zin van de Verordening. De heffingsambtenaar heeft weliswaar, naast zijn algemene stelling dat de grond niet als gemeentegrond kan worden aangemerkt in gevallen waarin de gemeente opstalhouder is, nog aangevoerd dat in het onderhavige geval de omvang van het opstalrecht zodanig beperkt is, dat de gemeente daardoor niet heffingsbevoegd is. Het Hof kan echter, wat er zij van de juridische gevolgen van die stelling, niet uitgaan van de juistheid ervan, aangezien de akte waarbij het recht van opstal werd gevestigd of voorbehouden niet tot de stukken van het geding behoort, en de stelling van de heffingsambtenaar daarom niet daaraan kan worden getoetst.
4.12 Voor nog op te leggen aanslagen in de precariobelasting en voor thans nog niet gedane uitspraken op bezwaar betreffende die belasting zal de heffingsambtenaar zich niet meer kunnen verweren met het zojuist geconstateerde onjuiste inzicht in het recht, maar voor de onderhavige aanslag brengt de omstandigheid dat de heffingsambtenaar meent niet heffingsbevoegd te zijn mee dat het achterwege laten van de heffing niet kan berusten op een oogmerk van begunstiging.
4.13 Andere omstandigheden waaruit een oogmerk van begunstiging zou kunnen volgen, zijn door belanghebbende niet naar voren gebracht.
4.14 Belanghebbende heeft nog gesteld dat door de gemeente afspraken zijn gemaakt met [E], inhoudende dat ter zake van de luifel geen precariobelasting zou worden geheven. Volgens de heffingsambtenaar heeft dienaangaande geen afzonderlijke overeenkomst bestaan. Daartegenover heeft belanghebbende zich beroepen op de e-mail van mevrouw [C] van 18 juni 2015. Uit die e-mail valt echter niet af te leiden dat de gemeente heeft beoogd geen precariobelasting te heffen van [E] in een situatie waarin volgens de gemeente het belastbare feit zich zou voordoen. De gemeente was volgens de inhoud van de e-mail juist in de veronderstelling dat de heffing van belasting op grond van "een zakelijk recht", waarmee het gevestigde of voorbehouden opstalrecht moet zijn bedoeld, was uitgesloten. 4.15 Op grond van het vorenstaande faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2017, nr. 16/00469. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 08-12-2017, nr. 17/01759.

Precariobelasting 2014 gemeente Leeuwarden

4.8 Door de heffingsambtenaar is onweersproken gesteld dat de gemeente niet de eigendom heeft van de grond onder de parkeergarage op [E]. Dit brengt mee dat ten aanzien van de eigenaar van de parkeergarage geen sprake is van een situatie die feitelijk en rechtens gelijk is aan die van belanghebbende. Met betrekking tot het winkelpand " [F] " heeft de heffingsambtenaar, eveneens onweersproken, gesteld dat het achterwege blijven van de heffing berustte op een incidentele fout, die later is gecorrigeerd.
4.9 Wat betreft de luifel van [D] meent de heffingsambtenaar dat deze niet boven gemeentegrond hangt, aangezien de gemeente van de betreffende grond slechts een recht van opstal heeft.
4.10 Ongeacht of het standpunt van de heffingsambtenaar juist is dat grond waarop de gemeente een recht van opstal heeft niet kan worden aangemerkt als gemeentegrond in de zin van de Verordening, brengt de omstandigheid dat de heffingsambtenaar meent niet heffingsbevoegd te zijn mee dat het achterwege laten van de heffing in zodanige gevallen niet kan berusten op een oogmerk van begunstiging. Andere omstandigheden waaruit een dergelijk oogmerk zou kunnen volgen, zijn door belanghebbende niet naar voren gebracht. 4.11 Op grond van het vorenstaande faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-05-2016, nr. 15/00419. Het cassatieberoep van belanghebbende is door de Hoge Raad ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie, Hoge Raad 17-03-2017, nr. 16/03520.

Precariobelasting 2011 en 2012 gemeente Haarlem

4.3.5. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat bij de heffing ten aanzien van het terras [d-markt 1] rekening is gehouden met de omstandigheid dat het desbetreffende terras aan een markt grenst. Omdat deze markt twee dagen per week wordt gehouden, wordt slechts 5/7e van het tarief in rekening gebracht. Het Hof stelt voorop dat dit verlaagde tarief is gebaseerd op de tarieventabellen bij de Verordeningen Precariobelasting is. Immers, in artikel 5.1 van die tarieventabellen is vermeld dat voor terrassen op de [d-markt] die als gevolg van de markt op twee dagen in de week (maandag en zaterdag) niet kunnen worden gebruikt, 5/7e van het tarief in rekening wordt gebracht. In zoverre kan toepassing van dit lagere tarief geen schending opleveren van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De aanslag is immers vastgesteld conform de door de gemeenteraad vastgestelde tarieventabellen, zodat geen sprake is van een begunstigende behandeling.
4.3.6. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat het terras [d-markt 1] op maandag en zaterdag wel kunnen worden gebruikt, de heffingsambtenaar derhalve (en in afwijking van de tarieventabellen) ten onrechte het lagere 5/7e-tarief heeft toegepast en daarmee die belastingplichtige heeft willen begunstigen, wordt deze stelling door het Hof verworpen. Tegenover de gemotiveerde uiteenzetting ter zitting van het Hof van de heffingsambtenaar, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks de aanwezigheid van een markt, het terras [d-markt 1] wel degelijk zeven dagen per week gebruikt kan worden. De foto’s die belanghebbende heeft overgelegd geven hieromtrent geen uitsluitsel. Dat sprake zou zijn van een begunstiging van het terras [d-markt 1] is derhalve niet door belanghebbende aannemelijk gemaakt. Mitsdien is ook niet aannemelijk geworden dat de gestelde begunstigende toepassing van het marktarief zou zijn voortgevloeid uit een oogmerk van begunstiging.
Gerechtshof Amsterdam 10-03-2016, nrs. 14/00768 tot en met 14/00771. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad ongegrond verklaard, Hoge Raad 17-02-2017, nr. 16/02118.

Precariobelasting 2011 gemeente Utrecht

4.1. Partijen houdt verdeeld, (...)
4.1.3 of de Ambtenaar zonder schending van het gelijkheidsbeginsel het seizoentarief kan toepassen op belanghebbende enerzijds en anderzijds ondernemers in tariefgebied A buiten het a-plein die hun terrassen vol en vrij kunnen exploiteren.
6.2.1. Gelet op wat hiervoor onder 5.3 is overwogen, belet de regeling van het belastingtijdvak in artikel 7 van de Verordening in samenhang met paragraaf 5 van de tarieventabel niet, de precariobelasting te berekenen over meer dan één dag, week of maand. De Ambtenaar heeft zijn aanvankelijk andersluidende opvatting ter zitting van het Hof terecht desgevraagd prijsgegeven. Aldus opgevat, kan dat artikel 7 niet gezegd worden te moeten leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Het ontbreken van een aan artikel 9, leden 2 en 3, analoge regeling voor een in de loop van het seizoen aanvangende of eindigende belastingplicht offert het belang van belastingplichtigen bij heffing naar tijdsevenredigheid niet op onaanvaardbare wijze op aan de eisen van uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de Verordening. Gelijke behandeling van ongelijke gevallen is binnen de tariefopbouw voor terrassen in paragraaf 5 van de Tarieventabel toelaatbaar. Die tariefopbouw is zodanig, dat het weektarief voordeliger is dan viermaal het dagtarief, het maandtarief gelijk aan driemaal het weektarief en het seizoentarief gelijk aan zesmaal het maandtarief. Gesteld noch gebleken is dat binnen die periode tengevolge van evenementen op de a-straat belanghebbende langer dan één maand, of binnen de kalendermaan-den in die periode langer dan negen achtereenvolgende dagen, verstoken is geweest van de feitelijke exploitatie van haar terras op dat plein. Voor zover belanghebbende zich op het evenredigheidsbeginsel beroept, kan dit haar dus niet baten.
6.2.2. (…) Doordat de Ambtenaar nader concludeert tot verminde-ring van de aanslag tot een, berekend over de vijf maanden vanaf mei tot en met september 2011, ontvalt de grond aan het beroep van belanghebbende op de andere door haar ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het gelijkheids , het zorgvuldigheids , het vertrou-wens en het rechtszekerheidsbeginsel.
6.2.3. Belanghebbende heeft overigens geen specifieke gevallen aangewezen waarin juiste toepassing van de Verordening en/of de Tarieventabel achterwege is gebleven en daardoor de betrokken belastingplichtigen zouden zijn begunstigd.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-06-2013, nr. 12-00502

Precariobelasting 2008 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

8.5.1.Belanghebbende heeft gesteld dat het schap door hem een aanslag in de precariobelasting op te leggen handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel:
a. door niet van alle omwonenden met een brug of dam over de watergang precariobelasting te heffen;
b. door van de gemeente geen precariobelasting te heffen ter zake van het hebben van een brug of dam over de watergang, zoals blijkt uit de notariële leveringsakte van 18 mei 2005 (hiervoor geciteerd onder 4.4).
8.5.2. De Inspecteur heeft ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder a. gesteld dat belanghebbende met zijn stelling miskent dat sommige omwonenden andere eigendomsgrenzen kennen; daar waar het schap geen eigenaar is van de waterbodem heft het niet.
8.5.3. Het Hof acht het door de Inspecteur gestelde aannemelijk. Alsdan doet zich geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen voor en treft het door belanghebbende gestelde geen doel.
8.5.4. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder b. geldt dat de gemeente voor de overgedragen percelen water een prijs van € 1 heeft bedongen (zie 4.4). Voorts heeft de gemeente bedongen dat door het schap aan haar geen aanslagen precariobelasting zullen worden opgelegd voor objecten gelegen in en boven de aan het schap toebehorende watergangen, waartegenover de gemeente zich verplicht geen belasting te zullen heffen voor persleidingen gelegen in aan de gemeente in eigendom verblijvende percelen.
8.7.5. Artikel 4, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt dat de precariobelasting niet wordt geheven voor het hebben van een voorwerp ter zake waarvan door het schap een retributie wordt geheven dan wel op een andere basis een vergoeding is overeengekomen. Het Hof is van oordeel dat de gemeente, door van het schap een symbolische prijs te bedingen voor de verkochte waterpercelen en zich te binden om van het schap geen precariobelasting te zullen heffen voor het hebben van persleidingen in aan de gemeente in eigendom toebehorende percelen, op andere basis met het schap een vergoeding is overeengekomen voor het hebben van voorwerpen boven de grond van het schap. Voor dat geval stelt de Verordening de gemeente vrij van de heffing van precariobelasting. Van een bestuurlijk ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.
Gerechtshof 's-Gravenhage 30-12-2011, nr. BK-10/00710

VERTROUWENSBEGINSEL

Precariobelasting 2014 gemeente Voorst

4.5.1.1. Belanghebbende 1 beschouwt het als een ‘kunstgreep’ dat de aanslag aan haar is opgelegd en niet aan belanghebbende 2. Daarmee is volgens haar bewerkstelligd dat de aan de overeenkomsten te ontlenen rechten niet kunnen worden geëffectueerd door de ‘daadwerkelijke normadressaat’. Volgens belanghebbende 1 houdt deze gang van zaken een schending in van het verbod op ‘détournement de pouvoir’, het fair play-beginsel en het specialiteitsbeginsel. Dit laatste, omdat de aanslag de werking van de overeenkomsten niet had mogen doorkruisen.
4.5.1.2. Volgens belanghebbende 1 mocht zij gezien de lange duur van de overeenkomsten en een bestendige gedragslijn van het niet heffen van precariobelasting erop vertrouwen dat de gemeente ook in de toekomst van de heffing van precariobelasting zou afzien. Dit geldt volgens belanghebbende 1 te meer, nu een wet is aanvaard die – kort gezegd – inhoudt dat vanaf 1 januari 2022 op netwerken van nutsbedrijven geen precariobelasting meer kan worden geheven (Wet van 22 maart 2017, Stb. 2017, 157).
4.5.1.3. Voorts acht belanghebbende 1 de aanslag in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat geen dan wel onvoldoende inzicht is gegeven in de belangenafweging die aan de Verordening en de aanslag ten grondslag heeft gelegen.
4.5.2.1. Volgens de heffingsambtenaar heeft de invoering van de heffing van de precariobelasting niet tot een schending van het verbod op détournement de pouvoir en/of het specialiteitsbeginsel dan wel het fair play-beginsel geleid. Bij het opleggen van de aanslag heeft de heffingsambtenaar die beginselen evenmin geschonden.
4.5.2.2. Het vertrouwensbeginsel (rechtszekerheidsbeginsel) is volgens de heffingsambtenaar niet geschonden, omdat de enkele omstandigheid dat gedurende een (lange) reeks van jaren niet is geheven daarvoor op zichzelf onvoldoende grond biedt, terwijl voorts niet aannemelijk is geworden dat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die op dit punt tot een ander oordeel hebben te leiden. Uit de wet van 22 maart 2017, Stb. 2017, 157, volgt juist dat de gemeente nog tot 1 januari 2022 precariobelasting over netwerken van nutsbedrijven mag heffen.
4.5.2.3. Van een belangenafweging is volgens de heffingsambtenaar wel sprake geweest, in zo verre de Verordening voorziet in het genereren van inkomsten voor de gemeente. Voor wat betreft de aanslag voorziet het aanslagbiljet in een adequate motivering daarvan.
4.5.3.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met het opleggen van de aanslag het fair play-beginsel niet geschonden, omdat het ten name van belanghebbende 1 opleggen van de aanslag rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening. In dit verband moet worden bedacht dat de in de Verordening opgenomen bevoegdheid een aanslag precariobelasting op te leggen geen beleidsvrijheid voor de heffingsambtenaar inhoudt.
De heffingsambtenaar neemt bij het opleggen van de aanslag een zogenoemde gebonden beschikking. Met haar stelling dat de heffingsambtenaar het fair play-beginsel, het verbod op détournement de pouvoir dan wel het specialiteitsbeginsel heeft geschonden, gaat zij (kennelijk) ervan uit dat de heffingsambtenaar bij de toepassing van de Verordening over een beoordelingsruimte of beleidsvrijheid beschikt, terwijl deze niet aanwezig is. Hiervan uitgaande acht het Hof de stelling dat de heffingsambtenaar bij de toepassing van de Verordening het fair play-beginsel, het verbod op détournement de pouvoir dan wel het specialiteitsbeginsel heeft geschonden, niet voldoende onderbouwd. Het Hof verwerpt derhalve de stelling dat de heffingsambtenaar met het opleggen van de aanslag één van de hiervoor vermelde beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
4.5.3.2. Voor wat betreft de stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden verwijst het Hof naar r.o. 17 van de uitspraak van de rechtbank, welke het Hof tot de zijne maakt. Hetgeen belanghebbende 1 op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Dit is niet anders vanwege de wet van 22 maart 2017, Stb. 2017, 157, nu deze inhoudt dat de gemeente nog tot 1 januari 2022 precariobelasting over netwerken van nutsbedrijven mag heffen.
Hof Amsterdam 12-06-2018, nr. 17/00265

Precariobelasting 2013 gemeente Muiden (thans Gooise Meren)

7. Eiseres voert verder aan dat de bestreden uitspraak in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel heeft eiseres aangevoerd dat sprake was van een bestendige relatie tussen partijen, die inhield dat geen precariobelasting werd geheven. Hierdoor is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die belasting ook in de toekomst niet zou worden geheven.
8. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres of van een van haar rechtsvoorgangers werd geheven, niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven.
Wat het vertrouwensbeginsel betreft, heeft eiseres naast haar beroep op (de bepalingen van) de Regeling 1943 geen feiten of omstandigheden aangevoerd die bij haar de indruk gewekt kunnen hebben dat ook in de toekomst door de gemeente geen precariobelasting van haar zou worden geheven. Alleen daarom al slaagt haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Eiseres heeft haar stelling inzake het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel in feite onderbouwd met de hiervoor besproken inhoudelijke beroepsgronden. Nu die beroepsgronden niet slagen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar in strijd is met de genoemde beginselen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de bestreden uitspraak uitvoerig is gemotiveerd en aan eiseres de mogelijkheid is geboden te reageren op de concept-uitspraak op bezwaar.
4.2. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, beroepen op de volgende gronden. De in 4.2.1 en 4.2.3 vermelde gronden zijn voor het eerst in hoger beroep aangevoerd:
4.2.5. De aanslag is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
4.4.5. De beroepsgronden 4.2.5 (algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en 4.2.6 (geen kostenvergoeding bezwaarfase) falen op de door de rechtbank in respectievelijk de onderdelen 7 en 8 van haar uitspraak vermelde gronden, waarmee het Hof zich verenigt.
4.4.6. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zich nog beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover de klacht is gebaseerd op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in het kader van haar stelling dat zij niet belastingplichtig is, wijst het Hof deze stelling af op grond van hetgeen onder 4.4.1 is overwogen. Voorts wijst het Hof erop dat in art. 228 in samenhang met art. 216 van de Gemeentewet aan de raad de bevoegdheid is verleend om ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond precariobelasting te heffen. Deze bevoegdheid is op basis van een voorstel aan de raad bij brief van burgemeester en wethouders van 17 september 2013 uitgeoefend door middel van de onder 2.4.1 vermelde Verordening. Bij deze gang van zaken acht het Hof de heffing van precariobelasting van belanghebbende niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Hof Amsterdam 05-09-2017, nr. 16/00529

Precariobelasting 2015 gemeente Apeldoorn

2. Eiseres drijft een winkel aan de [A-straat 1] te [Z] , genaamd “ [A] ” (hierna: het winkelpand). Zij huurt het winkelpand met ingang van [2012] . Voor het winkelpand, op gemeentegrond, staan kaartenhouders met wenskaarten (hierna: de uitstalling). De uitstalling beslaat 6 m2. Aan de gevel van het winkelpand, boven de gemeentegrond, is een luifel (van 29 m2) bevestigd.
3. Met dagtekening 30 april 2016 is aan eiseres over het jaar 2015 een aanslag precariobelasting opgelegd. Voor de uitstalling bedraagt de te betalen precariobelasting € 213,30. Voor de luifel bedraagt de te betalen precariobelasting € 452,40.
4. (...) Voorts is in geschil of er sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en of de hoorplicht is geschonden.
5. (...) Subsidiair stelt zij dat verweerder niet zonder voorafgaande kennisgeving en/of wijziging van de tekst van de Verordening precariobelasting ineens ook voor de uitstalling kan gaan heffen, naast de heffing voor de luifel. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 10 maart 2010, registratienummer 08/1992 PREGW (niet gepubliceerd). Deze uitspraak heeft betrekking op het beroep dat de vorige huurder van het winkelpand had ingediend tegen de aan haar, door de gemeente Apeldoorn (hierna: de gemeente), opgelegde aanslag precariobelasting over het jaar 2007. Uit de uitspraak volgt dat de heffingsambtenaar van de gemeente ter zitting de stelling heeft ingenomen dat ten onrechte voor de uitstalling precariobelasting is geheven. De jaren na deze uitspraak heeft verweerder alleen over de luifel precariobelasting geheven. Op 30 april 2016 heeft verweerder voor de eerste maal ook precariobelasting geheven over de uitstalling. De gemeente heeft dit vooraf niet aan eiseres bekend gemaakt. Als dit wel was gebeurd - zo is gesteld ter zitting - had eiseres maatregelen kunnen nemen (de kaartenhouders had zij dan in de winkel kunnen zetten in plaats van vóór de winkel).
9. De omstandigheid dat aan eiseres voor de jaren 2012, 2013 en 2014 geen aanslag precariobelasting voor de uitstalling is opgelegd, brengt niet met zich mee dat de uitstalling ook in het onderhavige jaar (2015) buiten de heffing dient te blijven. De gemeente kan voor elk jaar (opnieuw) besluiten op basis van de voor het betreffende jaar geldende Verordening precariobelasting te heffen. Er zijn ook geen feiten of bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat bij eiseres door verweerder enig in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat van eiseres ter zake van de uitstalling geen precariobelasting zou (kunnen) worden geheven. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de zaak bij de rechtbank Zutphen over het jaar 2007 tijdens de zitting heeft opgemerkt dat naast de heffing voor de luifel geen heffing voor de uitstalling kon plaatsvinden, is niet voldoende voor een in rechte te honoreren vertrouwen. Deze opmerking is gedaan met betrekking tot een ander belastingjaar en ten opzichte van een andere belastingplichtige (de vorige huurder) onder een andere tekst van de verordening. Ook is niet duidelijk wat de achtergrond van de opmerking van de heffingsambtenaar toen is geweest. Op zichzelf is wel aannemelijk dat eiseres tijdens de onderhandelingen met de vorige huurder bekend is geworden met deze opmerking van de heffingsambtenaar en dat zij op grond daarvan heeft gedacht dat de uitstalling niet apart zou worden belast, maar dat is onvoldoende voor in rechte te beschermen vertrouwen. Ook was de gemeente niet verplicht om de feitelijke wijziging in de uitvoering van de Verordening aan eiseres mee te delen voordat zij tot die wijziging mocht overgaan. Het nalaten van die mededeling kan daarom niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. De beroepsgrond met betrekking tot de schending van het rechtszekerheidsbeginsel faalt daarom.
Rechtbank Gelderland 14-04-2017, nr. 16 _ 5438

Precariobelasting 2012 gemeente Naarden (thans gemeente Gooise Meren)

5.7.4. Belanghebbende heeft voorts nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.
Zij baseert zich daarbij op de omstandigheid dat in de periode van 4 september 1931 tot aan het bestreden besluit geen heffing voor de in de gemeentegrond aanwezige netwerken (voorwerpen) verschuldigd was. Bij belanghebbende is hierdoor een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt.
Naar het oordeel van het Hof is de omstandigheid dat de gemeente een lange periode heeft afgezien van het heffen van precariobelasting ter zake van de in de gemeente aanwezige netwerken op zichzelf niet voldoende voor een daaraan te ontlenen in rechte te beschermen vertrouwen. Daar komt bij dat in artikel 11.2 van de Koopovereenkomst uit 1999, welke een nadere invulling geeft aan de wijze waarop de infrastructuur ten behoeve van gas- en elektriciteitsdistributie in het verzorgingsgebied van N.V. [F] wordt geëxploiteerd (het arrest, onder 2.1.3), uitdrukkelijk de mogelijkheid is onderkend om na verloop van tien jaren na de in de koopovereenkomst voorziene leveringsdatum tot heffing van precariobelasting over te gaan. Het Hof verwerpt op deze gronden ook het beroep op het vertrouwensbeginsel.
Gerechtshof Amsterdam 21-03-2017, nr. 16/00289

Precariobelasting 2013 gemeente Roermond, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (BSGW)

4.9. Het Hof stelt voorop dat van een in rechte te beschermen vertrouwen niet alleen sprake is als de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald (toezegging), maar ook als de belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald. (Vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 13 december 1989, nr. 25077, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/119; van 1 juli 1998, nr. 33458, ECLI:NL:HR:1998:AA2334; van 2 december 1998, nr. 33798, ECLI:NL:HR:1998:AA2607; van 13 oktober 1999, nr. 33311, ECLI:NL:HR:1999:AA2924; van 17 januari 2003, nr. 37463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996 en van 9 januari 2004, nr. 38537, ECLI:NL:HR:2004:AO1501 en vergelijk uitspraak Hof ’s-Hertogenbosch van 1 juni 2012, 11/00441, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7908, r.o. 4.12 en van 5 december 2013, 12/00814, ECLI:NL:GHSHE:2013:5933, r.o. 4.1.)
4.10. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is het Hof van oordeel dat belanghebbende uit de onder 2.2 tot en met 2.5 vermelde feiten en omstandigheden redelijkerwijs de indruk kon opdoen dat de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen het standpunt had ingenomen dat belanghebbende een vrijstelling van precariobelasting toekwam voor wat betreft de inzet van driehoeksborden ten behoeve van haar theatervoorstellingen. In het bijzonder gelet op de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001, waarin melding wordt gemaakt van de toepasbaarheid van een vrijstelling van precariobelasting op het plaatsen van driehoeksreclameborden door belanghebbende voor de theatervoorstellingen die in het jaarprogramma van belanghebbende zijn opgenomen. Ook de over het jaar 2007 opgelegde aanslag precariobelasting welke aanslag is teruggebracht tot nihil draagt bij aan deze indruk. Belanghebbende mocht redelijkerwijs begrijpen dat de Heffingsambtenaar voor de jaren 1996 tot en met 2012 bewust en weloverwogen tot het oordeel was gekomen dat belanghebbende geen precariobelasting verschuldigd was voor wat betreft de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van haar theatervoorstellingen, die in het jaarprogramma van belanghebbende zijn opgenomen, zowel professioneel als door amateurs. Vast staat dat de onderhavige aanslag uitsluitend betrekking heeft op de inzet van driehoeksborden voor promotie en reclame van theatervoorstellingen die in het jaarprogramma zijn opgenomen. Uit het vorenstaande volgt, dat bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen is opgewekt dat de heffing van precariobelasting hierover achterwege zou blijven.
4.11. Op zich is juist de overweging van de Rechtbank onder 6.3.2 dat ingevolge vaste jurisprudentie op de verweerder geen rechtsplicht rust om bij constatering van in het verleden gemaakte fouten deze te laten voortduren. Bij het niet laten voortduren van gemaakte fouten dient het bestuursorgaan evenwel het bij een belanghebbende opgewekte vertrouwen te respecteren totdat belanghebbende duidelijk is gemaakt dat dit vertrouwen wordt beëindigd. Hierbij dient het bestuursorgaan onder omstandigheden een belanghebbende een overgangstermijn te gunnen. Het Hof overweegt dat bij een eventuele beëindiging van het bij belanghebbende opgewekte vertrouwen door de Heffingsambtenaar rekening dient te worden gehouden met de mate waarin belanghebbende de mogelijkheid heeft de precariobelasting alsnog in de toegangsprijzen voor de theatervoorstellingen door te berekenen (arrest van de Hoge Raad van 2 september 1992, nr. 27855, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/2). Het standpunt van belanghebbende dat zij niet in de gelegenheid is gesteld de precariobelasting over het theaterseizoen 2013/2014, maar ook niet die over het theaterseizoen 2014/2015, in haar prijzen voor de theatervoorstellingen te verwerken, acht het Hof aannemelijk. Nu het geschil in hoger beroep is beperkt tot de aanslag precariobelasting over het jaar 2013 ligt het niet op de weg van het Hof hier voor wat betreft het jaar 2014 rechtsgevolgen aan te verbinden.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-09-2016, nr. 15/00702

Precariobelasting 2012 gemeente Haarlemmermeer

4.3.1. Over de door belanghebbende gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“22. Eiseres stelt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld omdat er al meer dan 85 jaar sprake is van een vrijstelling op de heffing van precariobelasting en dat in de periode tussen het sluiten van de Regeling tot het opleggen van de aanslag precariobelasting 2012 door verweerder nimmer is aangegeven dat een vergoeding voor het in de grond hebben van een elektriciteitsnetwerk verschuldigd zou zijn.
23. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres is geheven niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven. Uit het feit dat er 85 jaar geen precariobelasting is geheven valt geen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereiste (bewuste) standpuntbepaling jegens eiseres af te leiden waaruit zou voortvloeien dat verweerder in de toekomst van de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting zou hebben afgezien (vgl. gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4182).
4.3.4.3. Voor zover belanghebbende nog heeft bedoeld ook in hoger beroep te stellen dat de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel – het Hof constateert dat zij deze stelling in hoger beroep verder niet heeft onderbouwd – verwijst het Hof naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en maakt het deze overwegingen tot de zijne.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00573

Precariobelasting 2013 gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude

4.3.1. Over de door belanghebbende gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“26. Eiseres stelt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld omdat er al meer dan 85 jaar sprake is van een vrijstelling op de heffing van precariobelasting en dat in de periode tussen het sluiten van de Regeling tot het opleggen van de aanslag precariobelasting 2013 door verweerder nimmer is aangegeven dat een vergoeding voor het in de grond hebben van een elektriciteitsnetwerk verschuldigd zou zijn.
27. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres is geheven niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven. Uit het feit dat er 85 jaar geen precariobelasting is geheven valt geen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereiste (bewuste) standpuntbepaling jegens eiseres af te leiden waaruit zou voortvloeien dat verweerder in de toekomst van de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting zou hebben afgezien (vgl. Hof Amsterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4182).
4.3.4.3. Voor zover belanghebbende nog heeft bedoeld ook in hoger beroep te stellen dat de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel – het Hof constateert dat zij deze stelling in hoger beroep verder niet heeft onderbouwd – verwijst het Hof naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en maakt het deze overwegingen tot de zijne.
Gerechtshof Amsterdam 03-03-2016, nr. 15/00560

VRIJSTELLINGEN

Precariobelasting 2013 gemeente Roermond, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (BSGW)

1.1.De gemeente Roermond is op 4 juli 1995 met eiseres (destijds nog: [eiseres] in oprichting) overeengekomen dat eerstgenoemde de schouwburg en het zalencentrum aan [adres] te Roermond voor een bedrag van ƒ 1,= aan laatstgenoemde verkoopt. Blijkens deze overeenkomst is eiseres op straffe van een boete gedurende vijfentwintig jaar verplicht het theater als schouwburg in stand te houden en te (doen) exploiteren. De gemeente heeft zich jegens eiseres verplicht tot een eenmalige bijdrage van ƒ 15.000.000,= in het te verwachten negatieve exploitatieresultaat van het theater.
1.2. Op 20 oktober 1997 heeft het bureau Economische Zaken van de gemeente Roermond aan het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente (het college) geadviseerd om (onder meer) eiseres op grond van de toenmalige precarioverordening vrij te stellen van de heffing van precariobelasting voor de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van theatervoorstellingen omdat in zijn optiek sprake is van voorwerpen die uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijke of daarmede gelijk te stellen instellingen met ideële motieven. Het college heeft hierop op 28 oktober 1997 besloten om nader advies in te winnen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
1.3. De afdeling Financiën van de gemeente Roermond heeft, na overleg met de VNG, op 11 november 1997 eveneens aan het college geadviseerd om aan eiseres vrijstelling te verlenen van de heffing van precariobelasting, zij het niet op grond van het ontbreken van commerciële doeleinden. Zij adviseert vrijstelling te verlenen op grond van een in de toenmalige precarioverordening opgenomen vrijstelling voor het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen (artikel 7 onder a), nadat met eiseres een overeenkomst hierover is gesloten. Het college heeft zich in haar vergadering van 18 november 1997 akkoord verklaard met het voorstel van de afdeling Financiën onder de voorwaarde dat in de overeenkomst wordt vastgelegd dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor voorstellingen van culturele aard, zowel professioneel als door amateurs.
1.4. Verweerder heeft eiseres gedurende zeventien jaren (1996 tot en met 2012) niet betrokken in de precariobelasting. In de besluiten die zien op de vergunningverlening aan eiseres voor het plaatsen van de driehoeksborden over de theaterseizoenen beginnend op 27 september 2006 en eindigend op 1 juni 2011 is opgenomen dat eiseres op grond van de precarioverordening geen precariobelasting is verschuldigd. In de besluiten over de seizoenen van 1 juli 2011 tot en met 31 mei 2013 is hierover weliswaar niets opgenomen, maar aan eiseres zijn toen geen aanslagen opgelegd. Over het belastingjaar 2007 heeft verweerder in eerste instantie wel aan eiseres een aanslag precariobelasting opgelegd voor het plaatsen van de driehoeksborden. Deze aanslag heeft verweerder niet gehandhaafd, omdat – zo stelt verweerder – hij destijds er ten onrechte van uit zal zijn gegaan dat eiseres valt onder de vrijstelling voor niet-commerciële instellingen.
1.6. Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder aan eiseres voor de periode 1 september 2013 tot en met 1 juni 2014 een vergunning verleend voor het plaatsen van 640 driehoeksborden (1.920 affiches) rond lichtmasten die staan langs wegen die bij de gemeente in beheer zijn. In deze vergunning is voor zover thans relevant het volgende opgenomen:
“Precario
Krachtens het bepaalde in de precarioverordening bent u voor het hebben van voorwerpen op gemeentegrond een precariorecht van € 8.524,80 verschuldigd. In de aan u toe te zenden nota staan naast de legeskosten eveneens de precariobelasting vermeld. Een bezwaarschrift tegen de legeskosten alsmede de precariobelasting kunt u indienen na ontvangst van de nota. Bij de nota treft u dan een bijlage aan met de omschrijving van de wijze waarop u gebruik kunt maken van de bezwaarmogelijkheid.”
2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het verweerder vrijstond om over het jaar 2013 precariobelasting aan eiseres op te leggen.
3. Eiseres is van mening dat aan haar geen aanslag precario kan worden opgelegd door verweerder. Dit standpunt steunt – kort weergegeven – op de volgende argumenten:
i. tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] de exploitatie van de schouwburg met alle lusten en lasten diende over te nemen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de onder rechtsoverweging 1.1. vermelde overeenkomst alsmede naar de beslissingen op de vergunningsaanvragen van 2006 tot en met 2013, waaruit volgt dat eiseres al jaren geen precariorechten heeft hoeven betalen, hetgeen volgens eiseres duidt op het bestaan van een (mondelinge) overeenkomst. Bovendien blijkt uit interne stukken van de gemeente dat geadviseerd is om overeenkomst te sluiten met eiseres, hetgeen ook wijst op het reeds bestaan van mondelinge overeenstemming;
het thans geconfronteerd worden met een aanslag precario is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiseres is van mening dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij net als in alle voorgaande jaren geen precariorechten hoefde te voldoen.
6.3.1 Tot slot ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of eiseres er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij geen precariobelasting verschuldigd is aan verweerder nu zij jarenlang geen precariobelasting heeft hoeven te voldoen.
6.3.2 Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres aan de overgelegde besluiten die zien op de vergunningverleningen van 2006 tot 2013 geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat verweerder geen precariobelasting zou heffen. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet als een “niet-commerciële instelling” is aan te merken. Het had eiseres dan ook duidelijk moeten zijn dat de mededeling in deze besluiten, kort gezegd inhoudende dat eiseres op grond van de precarioverordening was vrijgesteld van belasting, foutief was. Ingevolge ter zake vaste jurisprudentie rust op verweerder geen rechtsplicht om bij constatering van in het verleden gemaakte fouten deze te laten voortduren
Rechtbank Limburg 02-04-2015, nr. 14_2071. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door de Hof Den Bosch gegrond verklaard, Hof Den Bosch 02-09-2016, nr. 15/00702.

Precariobelasting 2011 gemeente Blaricum

5.10.1. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat vanaf 4 september 1931 tot 8 december 1989 (de vermeende datum van het eindigen van de Regeling) van haar of haar rechtsvoorganger(s) geen belasting is geheven ter zake van het hebben en in stand houden van werken in gemeentegrond en dat zij, in de jaren dat de Regeling in elk geval van kracht was, haar netwerken in gemeentegrond heeft uitgebreid in de veronderstelling dat die werken niet aan precariobelasting onderhevig waren. Ook na het vermeende einde van de Regeling heeft belanghebbende dan wel haar rechtsvoorganger nimmer een vergoeding betaald voor het hebben van kabels en leidingen in gemeentegrond. Aldus was, zo stelt belanghebbende, sprake van een bestendige relatie tussen partijen die inhield dat geen precariobelasting werd geheven. Bij belanghebbende is hierdoor het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die belasting ook in de toekomst niet zou worden geheven, aldus belanghebbende.
5.10.2. Het Hof stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van belanghebbende of van enige tot het [D]-concern dan wel dier rechtsvoorganger(s) behorende vennootschap werd geheven, niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden ingevoerd en geheven.
5.10.3. De rechtbank heeft op dit punt overwogen (onderdeel 9 van haar uitspraak) dat belanghebbende deze stelling met name baseert “op haar hiervoor reeds behandelde stellingen omtrent de onbevoegd genomen aanslagen, de schatting van de lengte van de netwerken en hoogte van de precarioheffing”. Wat het vertrouwensbeginsel betreft, heeft belanghebbende ook in hoger beroep - naast haar beroep op (de bepalingen van) de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst - geen feiten en omstandigheden aangevoerd die bij haar de indruk zouden hebben kunnen gewekt dat - ook - in de toekomst door de Gemeente geen precariobelasting van haar zou worden geheven. Reeds daarom faalt haar beroep op het vertrouwensbeginsel.
Gerechtshof Amsterdam 02-10-2014, nr. 13/00611

Precariobelasting 2010 en 2011 gemeente Eindhoven

4. 1. Het Hof ziet aanleiding eerst belanghebbendes beroep op rechtens te beschermen vertrouwen te behandelen. Naar het oordeel van het Hof beroept belanghebbende zich daarop terecht. Belanghebbende heeft de vraag of het voorwerp precariobelasting opriep in 2007 naar aanleiding van het opleggen van een aanslag over het jaar 2006 uitdrukkelijk aan de orde gesteld en dat heeft geresulteerd in een vernietiging van die aanslag door de Heffingsambtenaar. Uit niets blijkt dat de Heffingsambtenaar daarbij voor de toekomst een voorbehoud heeft gemaakt. Die vernietiging kan niet anders dan als een uitdrukkelijke standpuntbepaling worden aangemerkt die alleen voor de toekomst kan worden herroepen.
Daaraan doet niet af dat de gemeente toen wel twijfel had over de status van het voorwerp en nu niet meer. Het gaat erom waarop belanghebbende sinds 2007 objectief beschouwd en dus redelijkerwijs mocht rekenen.
4.2. In het midden moet dan blijven of het voorwerp een goot is of een luifel en tevens of de onmiskenbare schending van het gelijkheidsbeginsel in dit geval te rechtvaardigen is met de stelling dat er een tekort is aan mensen en middelen en daarom een keus moet worden gemaakt bij de heffing van precariobelasting.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-08-2013, nr. 13-00011

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.4. Bovendien kan belanghebbende aan het instemmingsbesluit van 21 februari 2002 het door haar gestelde in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen, aangezien de tekst van het instemmingsbesluit duidelijk de heffing van precariobelasting afhankelijk stelt van het niet voldoen aan de verplichting om uiterlijk een jaar na de datum van de afgifte van het besluit kabels “in de buizen te blazen”. Die tekst is ook in overeenstemming met de verwoording van het beleid in de Notitie Telecommunicatiebeleid Rijswijk van 22 augustus 2002. Indien de gemeente van het beleid wenste af te wijken had het op haar weg gelegen de afwijking in het instemmingsbesluit op te nemen opdat die voor belanghebbende kenbaar was. In het instemmingsbesluit is op bladzijde 1 vermeld dat de buizen zijn aangelegd voordat de instemming is afgegeven. Daaruit kan belanghebbende, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld, niet afleiden dat ter bepaling van de termijn waarop de precariobelasting geheven kan gaan worden een andere ingangdatum geldt dan de datum van de afgifte van het besluit, zoals aan het slot van het besluit omtrent de belastingheffing is vermeld.
Gerechtshof Den Haag 06-02-2013, nrs. BK-12/00213 tot en met BK-12/00215

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.4. Bovendien kan belanghebbende aan het instemmingsbesluit van 19 november 2002 het door haar gestelde in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen, aangezien de tekst van het instemmingsbesluit duidelijk de heffing van precariobelasting afhankelijk stelt van het niet voldoen aan de verplichting om uiterlijk een jaar na de datum van de afgifte van het besluit kabels “in de buizen te blazen”. Die tekst is ook in overeenstemming met de verwoording van het beleid in de Notitie Telecommunicatiebeleid Rijswijk van 22 augustus 2002. Indien de gemeente van het beleid wenste af te wijken had het op haar weg gelegen de afwijking in het instemmingsbesluit op te nemen opdat die voor belanghebbende kenbaar was. In het instemmingsbesluit is op bladzijde 1 vermeld dat de buizen zijn aangelegd voordat de instemming is afgegeven. Daaruit kan belanghebbende, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld, niet afleiden dat ter bepaling van de termijn waarop de precariobelasting geheven kan gaan worden een andere ingangdatum geldt dan de datum van de afgifte van het besluit, zoals aan het slot van het besluit omtrent de belastingheffing is vermeld.
Gerechtshof Den Haag 06-02-2013, nrs. BK-12/00234 tot en met BK-12/00236

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

8.4. Bovendien kan belanghebbende aan het instemmingsbesluit van 19 november 2002 het door haar gestelde in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen, aangezien de tekst van het instemmingsbesluit duidelijk de heffing van precariobelasting afhankelijk stelt van het niet voldoen aan de verplichting om uiterlijk een jaar na de datum van de afgifte van het besluit kabels “in de buizen te blazen”. Die tekst is ook in overeenstemming met de verwoording van het beleid in de Notitie Telecommunicatiebeleid Rijswijk van 22 augustus 2002. Indien de gemeente van het beleid wenste af te wijken had het op haar weg gelegen de afwijking in het instemmingsbesluit op te nemen opdat die voor belanghebbende kenbaar was. In het instemmingsbesluit is op bladzijde 1 vermeld dat de buizen zijn aangelegd voordat de instemming is afgegeven. Daaruit kan belanghebbende, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld, niet afleiden dat ter bepaling van de termijn waarop de precariobelasting geheven kan gaan worden een andere ingangdatum geldt dan de datum van de afgifte van het besluit, zoals aan het slot van het besluit omtrent de belastingheffing is vermeld.
Gerechtshof Den Haag 25-01-2013, nr. BK-12-00216 tot en met BK-12-00218

Precariobelasting 2008 en 2009 gemeente Baarn

4.6 Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, kan niet worden gezegd dat de Ambtenaar gedurende veertien jaren een bestendige gedragslijn heeft gevolgd die erin bestond dat geen aanslagen precariobelasting aan belanghebbende werden opgelegd. De wettelijke mogelijkheid voor de Ambtenaar tot het opleggen van aanslagen precariobelasting aan belanghebbende is immers eerst ontstaan in het heffingsjaar 2005, het jaar waarin de raad van de gemeente Baarn de verordening en bijbehorende tarieventabel heeft gewijzigd. De Ambtenaar heeft vanaf dat moment gebruik gemaakt van die mogelijkheid en aanslagen precariobelasting aan belanghebbende opgelegd. Gelet hierop en anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de Ambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld door, bij gebrek aan een wettelijke grondslag in de periode voorafgaande aan het jaar 2005, geen precariobelasting te heffen. Dat de gemeentelijke wetgever er tot het jaar 2005 niet voor heeft gekozen om de precarioverordening en de bijbehorende tarieventabel dusdanig te wijzigen dat precariobelasting zou kunnen worden geheven is geen omstandigheid die de Ambtenaar kan worden verweten.
Gerechtshof Arnhem 22-11-2011, nrs. 11/00184 en 11/00185

Precariobelasting 2002 gemeente Rijswijk

II.25 De beroepsgrond onder II.9.5 slaagt. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Voorwaarde 18 van het instemmingsbesluit luidt, voor zover hier van belang: "Indien u gebruikmaakt van buizen en deze niet binnen een periode van één jaar vanaf de datum afgifte instemmingsbesluit in gebruik zijn genomen in de zin van artikel 1.1.. onder r. van de Telecommunicatiewet, dient u daarover precariobelasting te betalen."
Deze voorwaarde is in overeenstemming met het door de gemeente Rijswijk op dit punt gevoerde beleid, zoals dit kenbaar is uit de tot de gedingstukken behorende 'Notitie Telecommunicatiebeleid Rijswijk' van 22 augustus 2002. In deze notitie staat onder meer: "IV. Precariobelasting ( ... ) De gemeente stelt zich op het standpunt dat te gedogen werken van graafgerechtigde partijen slechts als zodanig zijn aan te merken wanneer binnen één jaar na afgiftedatum van het instemmingsbesluit deze functie ook daadwerkelijk geactiveerd is. ( ... ) Indien het telecommunicatienetwerk of delen daarvan niet is geactiveerd, en dit niet wordt ingegeven door externe factoren die niet te beïnvloeden zijn door de graafgerechtigde, dient door de graafgerechtigde vanaf 1 jaar na datumafgifte instemmingsbesluit alsnog aan de gemeente precariobelasting betaald te worden ( ... ) V. Gevolgen gemeentelijk beleid ( ... ) 3. voor wat betreft de precariobelasting: a. graafgerechtigden/aanbieders gedurende één jaar na afgiftedatum instemmingsbesluit hiervan vrijgesteld zijn; na één jaar kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden precariobelasting heffen; ( ... )"
Met het vorenstaande heeft de gemeente Rijswijk bij eiseres het door verweerder te honoreren vertrouwen opgewekt dat pas met ingang van 23 januari 2004, welke datum een jaar na de datum van afgifte Van het instemmingsbesluit ligt, tot heffing van precariobelasting ter zake van het hebben van de mantelbuizen zou worden overgegaan. Dit wordt niet anders door de terugwerkende kracht tot 23 juli 2001 welke verweerder aan het instemmingsbesluit heeft willen geven. Deze terugwerkende kracht betreft slechts de verleende instemming met "het aanleggen (of uitbreiden) en instandhouden van HDPE-buizen/kabels" en laat de datum van afgifte van het instemmingsbesluit onverlet.
8.5. Het Hof volgt ten overvloede de rechtbank in het in onderdeel II.25 gegeven oordeel. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de tekst van het instemmingsbesluit duidelijk de heffing van precariobelasting afhankelijk stelt van het niet voldoen aan de verplichting om uiterlijk een jaar na de datum van de afgifte van het besluit kabels “in de buizen te blazen”. Die tekst is ook in overeenstemming met de verwoording van het beleid in de Notitie Telecommunicatiebeleid Rijswijk van 22 augustus 2002. Het Hof acht een en ander voldoende om bij belanghebbende het door haar gestelde in rechte te beschermen vertrouwen te wekken. In het geval de gemeente van het beleid wenste af te wijken had het op haar weg gelegen de afwijking in het instemmingsbesluit op te nemen opdat die voor belanghebbende kenbaar was. In het instemmingsbesluit is op bladzijde 1 vermeld dat de buizen zijn aangelegd voordat de instemming is afgegeven. Daaruit kan belanghebbende zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld niet afleiden dat ter bepaling van de termijn waarop de precariobelasting geheven kan gaan worden een andere ingangdatum geldt dan de datum van de afgifte van het besluit, zoals aan het slot van het besluit omtrent de belastingheffing is vermeld.
Gerechtshof 's-Gravenhage 02-11-2011, nr. BK-10-00390. Het hiertegen door het college van gemeente Rijswijk ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet behandeld wegens gebrek aan belang, Hoge Raad 07-11-2014, nr. 14/03076.

VERHOUDING PRECARIOBELASTING EN VERGUNNING

Gemeente Amsterdam

6.2. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat geen, dan wel niet langer sprake is van een illegale situatie, kunnen zij daarin niet worden gevolgd. Niet in geschil is dat [appellant] en anderen niet beschikken over de vereiste vergunningen voor het innemen van een ligplaats aan de Diemerzeedijk. De omstandigheden dat deze situatie niettemin lange tijd en onder meer op basis van opeenvolgend verleende gedoogbeschikkingen is gedoogd, en dat gedurende deze periode precario is geheven, doen er niet aan af dat ter plaatse zonder de vereiste vergunningen ligplaats is ingenomen. Naar de raad stelt, en door [appellant] en anderen als zodanig niet wordt bestreden, bestaat er voorts geen zicht op legalisering van die illegale situatie. Voor zover [appellant] en anderen zich in dit kader beroepen op het vertrouwensbeginsel kan dat hen niet baten. Zoals onder meer in de verleende gedoogbeschikkingen is vastgelegd, is achtereenvolgens vanuit zowel de provincie Noord-Holland als de gemeente Amsterdam steeds uitdrukkelijk gecommuniceerd dat de Diemerzeedijk niet geschikt is als ligplaats voor woonboten en dat de daar aanwezige woonboten, vroeg of laat, moeten worden verplaatst. De situatie zou worden gedoogd totdat er een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied zou worden opgesteld of als naar het oordeel van het bevoegd gezag aanvaardbare alternatieve ligplaatsen beschikbaar waren. Aldus is er niet een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat met de woonboten ter plaatse voor onbepaalde tijd ligplaats zou kunnen worden ingenomen.
Raad van State 12-07-2017, nr. 201607180/1/R1

Gemeente Amsterdam

3.1 Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij de [naam] heeft gekocht met ligplaatsvergunning en dat er daarom geen sprake is van een overtreding van de Vob. [vorige eigenaar] had namelijk voor de [naam] een ligplaatsvergunning die was gebaseerd op de zogenaamde ‘gedoogronde’ uit 1989. Eiser kan daar als rechtsopvolger aanspraak op maken en is er dan ook vanuit gegaan dat de [naam] na de koop een ligplaatsvergunning zou hebben. 3.2 Verweerder heeft tijdens de schorsing van het onderzoek ter zitting een aantal documenten overgelegd die zien op de door eiser genoemde regelingen, namelijk de gedoogronde uit 1984, de gedoogronde uit 1989, de Oud schippersregeling en de Regeling voor het verlenen van speciale ligplaatsvergunningen. Ook heeft verweerder overgelegd: (...)
3.3 De rechtbank overweegt dat uit voornoemde stukken en de daarbij door verweerder gegeven toelichtingen blijkt dat de [naam] niet viel onder de gedoogronde uit 1989, omdat uit de stukken van verweerder blijkt dat de [naam] pas sinds 1991 ligt afgemeerd in de [naam] . Voor een geslaagd beroep op de gedoogronde dient onder andere aangetoond te worden dat met de [naam] op of voor 1 januari 1989 (de peildatum) ligplaats werd ingenomen in het [naam] in Amsterdam . Eiser heeft niet aangetoond dat de [naam] al vóór 1991 in bedoeld gebied lag afgemeerd en niet meer actief als sleepvrachtschip werd gebruikt. De stelling van eiser ter zitting, dat de [naam] wel eerder ligplaats innam in Amsterdam , heeft hij niet met bewijsstukken onderbouwd en kan daarom niet leiden tot een andere conclusie. De verwijzing van eiser naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)1 slaagt evenmin, omdat de woonboten waar het in die uitspraken om ging, anders dan de [naam] , wel op 1 januari 1989 in de [naam] afgemeerd lagen. Dat eiser er om wat voor reden dan ook vanuit is gegaan dat de [naam] wel een ligplaatsvergunning had op grond van de gedoogronde uit 1989, moet voor zijn eigen rekening en risico blijven.
3.4 Dat [naam] als [naam] van de [naam] een aanslagbiljet precariobelasting voor de [naam] heeft ontvangen over het jaar 2017, maakt het voorgaande niet anders. Een belastingaanslag is geen beslissing over het recht om al dan niet met de [naam] ligplaats te mogen innemen.
Rechtbank Amsterdam 30-05-2018, nr. 17/1642

Gemeente Amsterdam, stadsdeel Oost

6. [appellant] betoogt voorts dat de deelraad de woonboten aan de Diemerzeedijk ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. De Diemerzeedijk is een zeer verstedelijkt gebied waarbij de deelraad ten onrechte refereert aan historische en landschappelijke waarden. De woonboten verstoren al meer dan 30 jaar niet het aanzicht van het landschap. Verder is niet gebleken dat de ecologie wordt verstoord door de woonboten of hun bewoners, aldus [appellant].
[appellant] betoogt verder dat de deelraad er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de woonboten al sinds 1994 worden gedoogd. De deelraad had ten minste een uitsterfregeling of een regeling die tijdelijk gebruik als ligplaats mogelijk maakt moeten opnemen, aldus [appellant]. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, zaak nr. 201101467/1/R2. Daarbij betoogt [appellant] dat door het heffen van precario geen sprake is van een illegale situatie.
6.1. De deelraad stelt dat hij het niet wenselijk acht dat de aanwezigheid van de woonboten aan de Diemerzeedijk blijvend mogelijk is. De deelraad stelt dat de woonboten afbreuk doen aan de historische en landschappelijke waarde van de dijk en de aanwezige rietbeplanting, dat de beleving van het landschap op ontoelaatbare wijze wordt aangetast en dat door de aanwezigheid van de woonboten de ecologische waarden niet tot hun recht komen. Daarbij is voorts van belang dat in het geval de woonboten zouden blijven liggen op voornoemde plek, geregeld baggeren en het vrijhouden van de vaargeul voor onderhoud op de werf noodzakelijk zouden zijn.
De deelraad stelt verder dat de aan de eigenaren van de woonboten aan de Diemerzeedijk afgegeven gedoogbeschikkingen slechts tot gevolg hebben dat tegen het verbod om zonder ontheffing of vergunning ligplaats in te nemen met een woonboot tijdelijk niet handhavend wordt opgetreden. In tegenstelling tot een vergunning leidt een gedoogbeschikking niet tot een rechtmatige situatie waarmee in een plan rekening moet worden gehouden. Het heffen van precario doet daaraan niet af nu de overtreding daarmee niet wordt opgeheven, aldus de deelraad.
6.6. Op 19 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur van het toenmalige stadsdeel Zeeburg een persoonlijke gedoogbeschikking verleend voor de aanwezigheid van de woonboten met aanhorigheden aan de Diemerzeedijk, die voorheen gedoogd werden onder de gedoogbeschikkingen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 29 november 1994 en 9 november 2001. In het besluit staat dat de gedoogbeschikking voor alle woonboten vervalt indien voor het gebied een bestemmingsplan onherroepelijk wordt. De gedoogbeschikking vervalt voor iedere woonboot afzonderlijk indien een andere, naar het oordeel van het stadsdeel aanvaardbare, ligplaats aanwezig is.
6.7. Niet in geschil is dat voor de gronden aan de Diemerzeedijk waar de woonboten zijn gelegen niet eerder een bestemmingsplan gold. Op deze plek was voorheen het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam uit 1938 van kracht, dat geen verbodsregels kende. Zoals ook tussen partijen niet in geschil is ziet de Afdeling vanwege het ontbreken van een gebruiksverbod in een voorheen geldend plan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestaand gebruik van de gronden aan de Diemerzeedijk niet legaal is aangevangen.
De deelraad heeft aan de gronden aan de Diemerzeedijk waarop de woonboten zijn gelegen de bestemming "Water" toegekend. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.
Raad van State 22-01-2014, nr. 201304665/1/R1

Gemeente Amsterdam, stadsdeel Westerpark

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat hij, voordat hij in het stadsdeel Zuider-Amstel ligplaats had ingenomen, sinds 1994 een ligplaats had in het water van de gemeente Amsterdam en dat hij hiervoor precariobelasting betaalde.
2.5.1. Dit betoog faalt. Eventuele belastingheffing en -betaling kunnen niet het vertrouwen wekken dat tot het vergunnen van een feitelijk ingenomen ligplaats zal worden overgegaan, nu de vraag of voor het object, waarover belasting wordt geheven, een vergunning kan worden verleend voor die heffing niet van belang is.
Raad van State 09-01-2008, nr. 200703812/1

Gemeente Amsterdam, stadsdeel Oud Zuid

2.3. Het dagelijks bestuur betoogt verder dat de voorzieningenrechter, door gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat [wederpartij] sinds 1996 ter zake van de reclame-uiting belasting heeft betaald, heeft miskend dat belastingheffing en -betaling het verlenen van vergunning of ontheffing niet regardeert en [wederpartij] daarom hieraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat tegen de reclame-uiting niet handhavend zou worden opgetreden. In dit verband wijst het dagelijks bestuur erop dat op de achterzijde van het aanslagbiljet voor precario- en reclamebelasting, voor zover thans van belang, is vermeld: "Wanneer u Precario- of Reclamebelasting betaalt, betekent dit niet dat aan u (daarmee) een vergunning of ontheffing is verleend."
Voorts voert het dagelijks bestuur aan dat het de belastingheffing niet kan beëindigingen om verwerking van het recht op handhaving te voorkomen. Ten slotte klaagt het dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het, mede gelet op het tijdsverloop tussen de wijziging van het reclamebeleid in 2001 en de aanschrijving in 2004, zijn recht op handhaving heeft verwerkt, de betekenis van het plan van aanpak bij het nieuwe reclamebeleid heeft miskend.
2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 februari 2004 in zaak no. 200303919/1, BR 2004, 666), betekent de omstandigheid dat een overtreding lange tijd door het bestuursorgaan ongemoeid is gelaten niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden. Slechts onder bijzondere omstandigheden moet het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding met de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De voorzieningenrechter heeft de heffing en betaling van belasting vanwege de reclame-uiting ten onrechte als een bijzondere omstandigheid aangemerkt die tot het oordeel noopt dat niet meer handhavend mocht worden opgetreden. De belastingheffing en -betaling hebben geen vertrouwen kunnen wekken dat het dagelijks bestuur niet tot handhaving zal besluiten, nu de vraag of met het object, waarover belasting wordt geheven, een overtreding wordt begaan voor die heffing niet van belang is.
Raad van State 16-05-2007, nr.200607272/1

Gemeente Amsterdam, stadsdeel Oud Zuid

2.4.4. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het dagelijks bestuur ertoe hadden moeten brengen af te zien van handhavend optreden. Anders dan appellante betoogt, betekent de omstandigheid dat het reclamebord een zeer lange periode door het dagelijks bestuur ongemoeid is gelaten, niet dat sprake is van rechtsverwerking en dat het dagelijks bestuur daartegen niet meer zou kunnen optreden. Dat het dagelijks bestuur in de voorgaande periode wel precariorechten heeft ontvangen is evenmin een bijzondere omstandigheid als voormeld.
Raad van State 15-11-2006, nr. 200602319/1


logo Ostraka belastingadviseurs

Wilt u meer weten over de precariobelasting? Neem dan vrijblijvend contact op met Hans Scherff.

<< terug naar het nieuwsoverzicht


 

Ostraka belastingadviseurs BV  •  Postbus 44   •   4284 ZG   RIJSWIJK N-Br.   •   T 0183-76 05 22    •  info@ostraka.nl